In vijf jaar van droom naar werkelijkheid

Bauke Mollema, of het verschil tussen realiteit en perceptie 

Eind 2014 werd een eerste oproep uitgestuurd voor de erkenning en subsidiëring van Huizen van het Kind. Dat was het formele startschot, maar het verhaal begon lang daarvoor. In 2011 kregen de eerste conceptteksten vorm en startte de dialoog met tal van actoren. Het was ook het moment waarop in de kranten een foto verscheen van Bauke Mollema, die in de Ronde van Emilia al juichend over de streep kwam. Hij dácht dat hij gewonnen had, maar in werkelijkheid was een andere renner al even over de streep. Het beeld van de juichende Bauke Mollema verscheen zo prominent in de kranten dat je kon denken dat hij echt de winnaar was: een foute perceptie dus. Net daardoor werd het een belangrijk beeld voor de dialoog over de Huizen van het Kind.  

Kind en Gezin liep nogal prominent in beeld bij het verhaal over de Huizen van het Kind, maar in werkelijkheid waren er op lokaal niveau al tal van initiatieven en samenwerkingsverbanden die dezelfde doelen nastreefden. De kunst was dus de waarde van die samenwerkingsverbanden ook te honoreren, en de werkzame elementen eruit te destilleren, te versterken en een vertaalslag mogelijk te maken naar andere gemeenten. Het concept van de Huizen van het Kind moest dus enerzijds herkenbaar en ondersteunend zijn voor de bestaande samenwerkingsverbanden en anderzijds andere lokale actoren motiveren.  

 

Het goud uit Fort Knox halen 

De aanvangsanalyse bij de Huizen van het Kind was simpel. Zeer veel verschillende actoren en organisaties zetten zich in voor de ondersteuning van gezinnen met kinderen: dat is op zich een grote kracht. Maar in welke mate is dat aanbod toegankelijk? In welke mate slagen we erin om met al die krachten zo geïntegreerd te werken dat we een coherent aanbod voor gezinnen te formuleren? Gezinnen hebben namelijk geen hokjes in hun denken en volgen de logica van een gefragmenteerd aanbod dus niet.  

Het antwoord was al even simpel. Er moesten Huizen van het Kind komen die ‘al die krachten bundelen, zodat maatregelen en ondersteuning coherenter en beter ontsloten worden om meer gezinnen beter te ondersteunen’. We moesten dus het maximale uit de waarde van elk aanbod halen en dat aanbod, dus ook dat van Kind en Gezin, onderling verbinden. Kind en Gezin heeft een zeer krachtig instrument in handen: het consultatiebureau met de huisbezoeken en de consulten. Het is een universele dienstverlening met een zeer groot bereik, waar men internationaal met grote ogen naar kijkt. We hebben echt goud in handen. De consultatiebureaus werkten echter te geïsoleerd: ze hadden een grote waarde, maar er kon meerwaarde mee gecreëerd worden. Met enige zin voor overdrijving was het alsof ons goud veilig opgeborgen zat in Fort Knox: hoog tijd om het daaruit te halen en het in te zetten in sterke samenwerkingsverbanden, via de Huizen van het Kind.  

 

Het merk voor alle gezinnen 

Om de waarde van elk aanbod op het vlak van gezinsondersteuning te erkennen, en dat te verbinden voor gezinnen, hadden we een uitgekiende merkenstructuur nodig. Zo werd het merk ‘Huis van het Kind’ geboren. Als je gezinnen lukraak op straat aanspreekt over wat ze kunnen vinden in een Huis van het Kind, dan krijg je daarop meestal het antwoord: ‘Alles wat te maken heeft met opvoeden en opgroeien.’ En dat is wat de Huizen van het Kind willen betekenen.  

Het was bovendien belangrijk om een merk te creëren dat elk van de betrokken organisaties zou overstijgen, dus ook Kind en Gezin, om duidelijk te maken dat het om een samenwerkingsverband ging én zeker ook  om  de sterke merken die al bestonden ruimte te geven om zich te blijven manifesteren. Dit was cruciaal om organisaties te betrekken, vanuit hun eigen kracht en met de gemeenschappelijke doelstelling: ‘meer gezinnen beter ondersteunen’.   

 

Ruimte voor verschil 

Het centrale vraagstuk was: hoe kunnen we (aanstaande) gezinnen met kinderen en jongeren zo goed mogelijk ondersteunen? Als je daar lokaal organisaties rond samenbrengt, dan kom je met wat gezond verstand uit bij een Huis van het Kind, of iets wat er zeer sterk op lijkt. Er werd dus een regelluw kader gecreëerd, dat gericht was op de doelstellingen die we wilden halen bij de gezinnen en op maximale lokale differentiatie.  

Het domein van gezinsondersteuning en opvoedingsondersteuning kent lokaal grote verschillen. De opportuniteiten en de noden in elke gemeente zijn telkens weer net dat beetje anders. Als je daar maximaal op wil inspelen, dan moet elk Huis van het Kind er ook anders kunnen uitzien.  Met het decreet op preventieve gezinsondersteuning, dat de regelgevende basis biedt voor de Huizen van het Kind, hebben we die lokale denkoefening gestimuleerd in elk van de gemeenten in Vlaanderen en Brussel.  

We zijn daar ook in geslaagd! Dat kon door het engagement van al die organisaties in de Huizen van het Kind en niet in het minst door de inbreng van de lokale besturen. In de meerderheid van de Huizen van het Kind spelen zij een centrale rol: zij kennen het lokale DNA door en door. Door de Huizen van het Kind maximaal te laten aansluiten bij het lokale sociaal beleid kregen ze een instrument in handen om een coherent geïntegreerd gezinsbeleid te voeren, het brede potentieel te versterken, en dat ook voor de burger te ontsluiten. Zo zijn er zeer brede samenwerkingsverbanden ontstaan. 

 

Sporen van modder in de gang 

Volgens de regelgeving moeten alle Huizen van het Kind preventieve gezondheidszorg, opvoedingsondersteuning en acties ter bevordering van de sociale cohesie voorzien. Dat is een minimale vereiste. In 2016 werd er een bevraging georganiseerd bij de Huizen van het Kind om zicht te krijgen op de stand van zaken. Daaruit leerden we onder meer met welke uitdagingen ze geconfronteerd werden en welke meerwaarde ze (reeds) ondervonden. We waren echter het meest verwonderd over de breedte van de actoren die zich engageerden in de Huizen van het Kind. Dit oversteeg ruim de decretale minimale voorwaarden.  

Als we zien welke actoren in 2016 gebundeld werden door de Huizen van het Kind, dan komen daarin alle levensdomeinen terug die te maken hebben met opvoeden en opgroeien. We zagen dat er ook aandacht was voor geestelijk welbevinden, kinderopvang, prenatale begeleiding, huisvesting, inkomen, tewerkstelling, onderwijs, cultuur, sport - zowel binnen de diensten als in de concrete activiteiten. Het verbinden van diensten is cruciaal om geïntegreerd te werken en goed te kunnen verwijzen. Maar om ouders te betrekken, is het belangrijk om van de Huizen van het Kind een levendig geheel te maken, en daarvoor moeten er ook activiteiten plaatsvinden. We waren daarom blij met de betrokkenheid van buitenschoolse kinderopvang, jeugdwerk, cultuur…  Een beetje plastisch uitgedrukt is het belangrijk voor het succes van de Huizen van het Kind dat er op een regenachtige woensdagnamiddag sporen van modderige laarzen in de gang te vinden zijn.  

 

De toekomst is… een grote tafel 

We merken duidelijk dat de Huizen van het Kind het potentieel hebben om uit te groeien tot laagdrempelige basisvoorzieningen. Dat betekent dat je er als (aanstaand) gezin gepast ondersteund wordt op alle levensdomeinen die te maken hebben met opvoeden en opgroeien. Dit gaat breed, maar dat is ook noodzakelijk, aangezien voor ouders alles samenkomt aan die éne gezinstafel: vrije tijd, school, gezondheid of gezinsbudget, de moeilijke momenten en de leuke, de gevoelige (onuitgesproken) thema’s en het fait divers.  

Die tafel willen we ook in het Huis van het Kind hebben. Dat wil zeggen dat we zullen moeten samenwerken met zeer diverse partners om de ondersteuning op maat van elk gezin te brengen. Als je alle partners optelt die vandaag al samenwerken in de verschillende Huizen van het Kind, dan zijn alle levensdomeinen vertegenwoordigd. Dat is fantastisch nieuws. De uitdaging is nu om van elk van die samenwerkingen te leren, en te onderzoeken of en hoe we die kunnen integreren. Niet van vandaag op morgen, maar op maat en volgens het tempo van elk Huis van het Kind, op basis van de lokale dynamieken en prioriteiten.  

Een eerste belangrijke uitdaging is de samenwerking met de hardere sectoren, zoals huisvesting, tewerkstelling… Die sectoren creëren mee de randvoorwaarden waarbinnen de ontwikkeling van het kind en het gezin gebeuren en ze hebben daar ook een grote impact op. Een tweede uitdaging bestaat erin de samenwerking vorm te geven dicht bij de plekken waar kinderen en gezinnen leven, waar het aanbod en de ondersteuning tastbaar worden in het dagelijkse leven. De ontwikkeling van buurtgerichte netwerken, die op meerdere plaatsen in Vlaanderen en Brussel vorm krijgen, zal ons daartoe inspiratie geven.  

 

Conclusie 

Op vijf jaar tijd zijn we van een regelgevende tekst geëvolueerd naar een nieuwe realiteit in het ondersteunen van (aanstaande) gezinnen met kinderen in Vlaanderen en Brussel. Dit kon enkel dankzij het engagement van middenveldorganisaties, lokale besturen, vrije beroepen, dankzij vrijwilligers en professionals, dankzij ouders en kinderen. Samen hebben we de fundamenten en de eerste bouwlagen gelegd, samen zullen we er verder aan bouwen, zodat elk kind, elk gezin de gepaste ondersteuning krijgt.  

Katrien Verhegge

Administrateur-generaal Opgroeien

Katrien Verhegge