Gezinnen uit Midden- en Oost-Europa

Veel onderzoek over opvoeden in gezinnen met een migratieachtergrond gaat over gezinnen uit Turkije en Marokko.  Over het opvoeden en de wenselijke ondersteuning bij gezinnen uit Oost-Europese landen zijn minder studies gedaan.  Hans Bellaert bundelde in 2014 inzichten uit literatuur en eigen onderzoek ( 2014)

Uit literatuur en onderzoek wordt duidelijk dat de manier van opvoeden vele overeen­komsten heeft met die in Nederland, maar dat er zeker ook verschillen zijn.
In Nederland hebben de kinderen meer invloed: ze mogen meebeslissen, over wat ze eten bijvoorbeeld. Bij Bulgaren, Polen en Roemenen staan de wensen van de kinderen niet voorop.
De opvoeding is er minder dan bij Nederlanders gericht op de individuele ontwikkeling van het kind. Kinderen hebben meer verplichtingen, zoals boodschappen doen en op jongere broertjes en zusjes passen. De familie als geheel is belangrijker dan het individuele kind. Volgens de respondenten zijn veel laagopgeleide ouders wel lief voor hun kinderen, maar hebben zij de neiging hen verbaal hard en soms vloekend toe te spreken. Wat ook vaak te beluisteren valt: als ouders hun kinderen vanwege het (vele) werk weinig zien, hebben ze een probleem met grenzen stellen. ‘Nee’ zeg­gen blijkt dan moeilijk voor hen.
Voor een diepgaander beschrijving per doelgroep verwijzen we naar de publicatie. Dit is een ‘gemiddeld beeld’ maar uiteraard bestaan er verschillende visies op opvoeding en moeten deze uitspraken voldoende genuanceerd worden geïnterpreteerd.

Opvoedingsrisico’s door de migratie

Migratie brengt vaak risico’s met zich mee bij de opvoeding van migrantenkin­deren in Nederland. Ook bij EU-arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa is dat het geval. Maar dat geldt uiteraard lang niet voor alle gezinnen. Ouders die zich instellen op blijvende vestiging in Nederland en een goede opleiding heb­ben, ervaren doorgaans geen grote problemen met de opvoeding. Laagopgeleide ouders echter – met name bij Bulgaren, Roma en niet-geregistreerde migranten – kampen vaak wel degelijk met specifieke opvoedingskwesties, die om extra aandacht vanuit het gemeentelijk jeugdbeleid vragen.
De meest zorgwekkende risicofactoren die met de migratie samenhangen zijn:

  • Niet-geregistreerd zijn
  • Gebrekkige taalbeheersing
  • Psychosociale problemen
  • Weinig gebruik van voorzieningen
  • Late instroom onderwijs
  • Slechte woonsituatie
  • Te veel werk of geen werk
  • Negatieve beeldvorming

De ondersteuning: bereik en kwaliteit
Dat gezinnen uit Polen, Roemenië en Bulgarije – ondanks de risico’s – nauwe­lijks gebruikmaken van opvoedingsondersteuning, heeft meerdere oorzaken. Aan de ene kant zijn er drempels en obstakels die (meestal ongewild en onbedoeld) vanuit de migranten zelf ontstaan. En aan de andere kant zijn de instellingen en het lokale beleid (eveneens: ongewild en onbedoeld) debet aan het slechte bereik.
Op diverse punten is er geen goede aansluiting bij (de leefwereld van) Midden- en Oost-Europese gezinnen.
De belangrijkste barrières en knelpunten:

  • Onbekendheid, angst, schaamte en twijfels
    Poolse, Roemeense en Bulgaarse ouders zullen in het algemeen niet snel uit zichzelf opvoedingsondersteuning zoeken. De belangrijkste redenen: onbe­kendheid met de mogelijkheden, onzekerheid doordat ze het Nederlands niet (goed) beheersen, angst voor de jeugdbescherming, schaamte over vermeend falen, twijfels of de hulp wel aansluit bij hun achtergrond.
  • Buiten beeld of niet geholpen
    Gezinnen die niet in de GBA geregistreerd staan, blijven relatief vaak en lang buiten beeld. Dit terwijl de risico’s bij deze gezinnen, door de multi-proble­matiek van laagopgeleide ouders, juist het grootst zijn. Als deze gezinnen wél in beeld komen van jeugdinstellingen worden zij soms niet geholpen omdat men – ten onrechte – denkt dat mensen zonder verblijfstitel geen recht heb­ben op zorg.
  • Intermediairs onderbenut en overbelast
    Zelforganisaties, sleutelpersonen en andere intermediairs kunnen een belangrijke brugfunctie vervullen tussen de gezinnen en de Nederlandse sa­menleving. Zij worden echter niet overal (voldoende) erkend en gefaciliteerd door de gemeente. Ook raken ze vaak overbelast door de veelheid van vragen die op hen afkomt. Mede hierdoor geeft men prioriteit aan vragen over werk, wonen, verzekeringen, gezondheid en school, en is er nog te weinig aandacht voor vragen over opvoeding en opvoedingsondersteuning.
  • Geen specifieke kennis en aandacht
    Professionals zijn over het algemeen nog weinig voorbereid op het bereiken van deze EU-migranten, en onbekend met de specifieke omstandigheden en risicofactoren. Slechts een enkeling bij de reguliere instellingen is goed op de hoogte van wat er speelt bij gezinnen uit Midden- en Oost-Europa. Instel­lingen kennen binnen het algemene beleid ook geen aparte benadering om deze gezinnen vroegtijdig te bereiken en effectief met de bijzondere factoren om te gaan.
  • Amper voorlichting in eigen taal. Deze ouders hebben veel behoefte aan voorlichting in de eigen de eigen taal: over het schoolsysteem, extra begeleiding en de moge­lijkheden van opvoedingsondersteuning. • Geen samenwerking met intermediairs

 

Tien adviezen: geënt en gericht op de praktijk

De centrale vraag van onze verkenning was: wat is binnen de transitie van het lokale jeugdbeleid nodig om de opvoedingsondersteuning en hulp aan gezinnen uit Midden- en Oost-Europa zo goed mogelijk te laten aansluiten op deze doel­groep, en zo effectief mogelijk te laten zijn?
Voor die optimalisering geven de auteurs gemeenten en hun instellingen de volgende adviezen.

  • Roep alle betrokken partijen bij elkaar
    Telt uw gemeente relatief veel EU-arbeidsmigranten, organiseer dan een bijeen­komst voor alle betrokken ambtenaren: degenen die zich specifiek met die mi­granten bezighouden én degenen die bezig zijn met de transitie en transformatie in het jeugdbeleid. Nodig hierbij ook intermediairs/zelforganisaties uit, alsmede vertegenwoordigers van opvoedingsondersteuning scholen, jeugdteams en het CJG. Bespreek op deze bijeenkomst in elk geval de onderstaande negen adviezen: wat gaan de partijen er samen aan doen om bereik en kwaliteit voor gezinnen uit Midden- en Oost-Europa te verbeteren?
  • Vergroot de kennis over risicofactoren
    Zorg dat alle betrokkenen, binnen de gemeenteorganisatie zelf en in het werk­veld, goed op de hoogte zijn van de specifieke, migratie-gerelateerde factoren die opvoedingsrisico’s met zich meebrengen. (Zie de opsomming aan het begin van dit hoofdstuk, en de uitgebreide versie in hoofdstuk 4). Probeer ook meer aandacht te krijgen voor de specifieke opvoedingsrisico’s, zodat er binnen de algemene kaders van de ‘zorg voor jeugd’ accenten gelegd worden om ‘moeilijker bereikbare groepen’ effectief te bereiken en te ondersteunen
  • Eis vroegtijdige hulp voor alle gezinnen
    Stel als gemeente de eis aan de nieuwe jeugdteams dat álle gezinnen, ook gezin­nen van EU-migranten, zo vroeg mogelijk ondersteuning krijgen als dat nodig is. Verlang ook dat de jeugdteams in staat zijn om alle gezinnen (dus ook de groep EU-migranten) adequaat van hulp en informatie te voorzien. Vraag naar de bereikstrategie, de competenties binnen het team en hoe zij samenwerken met informele netwerken en zelforganisaties. Monitor de output van de jeugdteams in relatie tot de specifieke aandachtspunten en risicofactoren in het werkgebied.
  • Licht ouders al bij de schoolintake voor
    Informeer als school individuele gezinnen al bij het aanmeldingsgesprek (regu­lier onderwijs of schakelklassen) over het school-zorgsysteem en de mogelijkhe­den voor ondersteuning. Laat weten dat de school (leerkracht/mentor) openstaat voor vragen over opvoe­ding en kan helpen bij het zoeken naar opvoedingsondersteuning, mocht dat nodig zijn. Voor ouders uit Polen, Roemenië en Bulgarije is een advies van de school niet alleen acceptabel, ze hechten er ook veel belang aan.
  • Geef ook groepsgewijze voorlichting
    Ook groepsgewijze voorlichting vanuit het onderwijs over het school-zorgsysteem en de mogelijkheden voor opvoedingsondersteuning, kan heel effectief zijn. Or­ganiseer die in samenwerking met Zorg Advies Teams, opvoedingsondersteuners en intermediairs uit de eigen groepen. Besteed bij de bijeenkomsten expliciet aandacht aan de drempels die ouders ervaren, zoals angst voor betutteling en een ongenuanceerd beeld van jeugdbeschermingsmaatregelen.
  • Maak leerlingenzorg tot prioriteit
    Stimuleer als gemeente dat op concentratiescholen (met schakelklassen, of rela­tief veel leerlingen uit Midden- en Oost-Europa) intermediairs of sleutelpersonen gaan werken. Zij kunnen helpen met het vroegtijdig signaleren van problemen bij scholieren, samenwerken met schoolmaatschappelijk werkers en vroegtijdige ondersteuning op gang krijgen door contact met ouders te leggen. Het gaat im­mers niet alleen om de problemen van de leerling zelf, maar ook om de relatie met de ouders. Voor het aanpakken van de problemen zijn de ouders onmisbaar.
  • Benut de brugfunctie van intermediairs
    Faciliteer vanuit de gemeente zelforganisaties, sleutelpersonen en intermediairs, zodat zij een brugfunctie kunnen vervullen voor de gezinnen. Stimuleer voorlich­ting over opvoeding en het vormen van gespreksgroepen voor ouders. Bevorder de samenwerking tussen migrantenorganisaties enerzijds en scholen, jeugd­teams en het CJG anderzijds. Vaak kan met een kleine subsidie en met vrijwil­ligersvergoedingen al veel nuttig werk verzet worden.
  • Bepaal de omgang met niet-geregistreerden
  • Bied wel-/niet-geregistreerden dezelfde zorg
    Hanteer bij het aanbieden van zorg geen onderscheid tussen geregistreerden en niet-geregistreerden. Waar nodig kunnen niet-geregistreerde gezinnen bereikt worden via kinderdagverblijven, schakelklassen, scholen, zelforganisaties en het informele circuit. Wanneer er signalen zijn dat er hulp nodig is, maak dan duide­lijk dat niet-geregistreerde gezinnen wel recht hebben op (kosteloze) opvoedings­ondersteuning.