Waarom zijn ouders zo onzeker over mediaopvoeding?

Hoe belangrijk ouders mediaopvoeding ook vinden, toch zijn ze vaak erg onzeker over dit onderdeel van de opvoeding. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn.

  • Gebrek aan ervaring: kinderen zijn digital natives en hebben meestal meer ervaring met moderne media als smartphones, games en computertoepassingen dan hun ouders. De meeste ouders hebben ook geen tijd om zich te verdiepen in alle websites, apps of programma's die hun kinderen opzoeken. Daardoor kan het voor ouders moeilijk zijn om er met hun kinderen over te praten, of om een goede inschatting te maken van wat geschikte en ongeschikte mediaproducties zijn.
  • Beperkte gespreksvaardigheden en zicht op ontwikkeling: een goed gesprek voeren met de kinderen over hun mediagebruik is niet voor elke ouder vanzelfsprekend. Het ontbreken van kennis van moderne media en de link met de ontwikkeling van hun kind verhogen de drempel om het gesprek aan te gaan.
  • Mobielere apparaten: mediagebruik is door mobiele apparaten steeds individueler en onttrekt zich op die manier aan het zicht van de ouder(s). Kinderen kunnen overal filmpjes kijken, gamen of contact met anderen onderhouden. De schermen zijn klein, waardoor ouders minder goed kunnen zien wat hun kinderen doen. Daarnaast hebben kinderen op steeds jongere leeftijd media-apparaten op hun slaapkamer of gaan ze naar hun vrienden om te internetten, filmpjes te bekijken, of te gamen.
  • Gezinsklimaat: soms hebben ouders en kinderen geen goede verstandhouding, bijvoorbeeld bij een scheiding of als kinderen in de puberteit zijn. Kinderen krijgen of accepteren dan minder begeleiding van hun ouders en zoeken zelf tv-programma's, films, websites en games die ze interessant vinden. Als kinderen minder goed contact met hun ouders hebben, lopen ze extra risico om door de media beïnvloed te worden.

Een beperktere groep ouders maakt zich weinig zorgen over de effecten van de media op hun eigen kinderen. 'Onbezorgde' ouders verbieden minder vaak bepaalde games of sites, nemen minder voorzorgsmaatregelen en komen er minder aan toe om met de kinderen te praten, hen te wijzen op goede of slechte informatie, en uitleg te geven.