Toegang tot opvoedingsondersteuning

Opvoedingsondersteuning wordt in het Vlaamse beleid gezien als een universele maatschappelijke dienstverlening waar alle ouders beroep op moeten kunnen doen. Het is dan ook belangrijk stil te staan bij de vraag of allochtone gezinnen toegang tot het aanbod opvoedingsondersteuning vinden.
Uit de geraadpleegde documentatie blijkt dat onderzoekers het er over eens zijn dat het aanbod opvoedingsondersteuning slecht toegankelijk is en een groot deel van de allochtone ouders niet bereikt. De kwetsbaarste groepen zijn met name de ouders die de Nederlandse taal slecht beheersen of die een lage sociaal economische status hebben. Er wordt bijv. van oudercursussen en pedagogisch hulp beperkt gebruik gemaakt. Uitzonderingen daarop zijn adviesvragen aan de leerkracht van de kinderen en het consultatiebureau.
Dat bepaalde doelgroepen niet werden bereikt, schreef men aanvankelijk toe aan kenmerken van die doelgroepen zelf (de vraagkant), zoals taalachterstand, cultuurverschil, beperkt inzicht in de samenleving. De afgelopen jaren zoekt men de oorzaken ook aan de aanbodkant: beleid en instellingen die te weinig rekening houden met bepaalde doelgroepen. Instellingen zijn onvoldoende toegankelijk. Knelpunten in de toegankelijkheid doen zich voor op drie terreinen: de institutionele context (discriminatie en uitsluiting), de kwaliteit van de werkwijze en de kwaliteit van het aanbod.

Uit diverse onderzoeken kunnen we besluiten dat de kloof tussen de vraag van allochtone ouders om informatie en steun en het aanbod aan opvoedingsondersteuning nog groot is. Het beschikbare onderzoek duidt op een gebrek aan aansluiting bij de behoeften van ouders en een eenzijdige gerichtheid op informatieoverdracht.
Allochtone ouders hebben behoefte aan laagdrempelige uitwisseling van informatie met andere opvoeders en, zij het in mindere mate, met deskundigen. Ouders, en zeker ook de vaders, staan afwijzend tegenover aanbod met en topdown karakter en verkiezen laagdrempelige bottom-up initiatieven vanuit eigen kring. De onderzoekers merken echter wel op dat de continuïteit van dergelijke - vaak vrijwillige - projecten niet vanzelfsprekend is en er weinig verbinding bestaat met het professionele aanbod. 

Uit heel wat opvoedingsonderzoeken komt steeds opnieuw naar voren dat leerkrachten - buiten het informele netwerk - als belangrijkste bron van steun gelden voor allochtone ouders. Ouders verwachten van hen ook steun bij opvoedingstaken, meer dan lijkt te gelden voor autochtone ouders. Of deze verwachting kan ingevuld worden en past bij de taakopvattingen van leerkrachten is in discussie. Recent groeit de aandacht voor de pedagogische verantwoordelijkheid van instituties buiten het gezin, zoals de school, de buurt, het jongerenwerk enz.

Ter verklaring van het relatief lage bereik van opvoedingsondersteuning onder niet-westerse migrantengezinnen wordt ook veelal gewezen op een kloof tussen de vraag van ouders en het reguliere aanbod van opvoedsteun. Dit lijkt voor een belangrijk deel te maken te hebben met het gebrek aan diversiteitgevoeligheid bij de voorzieningen. Het gebrek aan diversiteitgevoeligheid bij organisaties is volgens deze onderzoekers op verschillende gebieden terug te zien: het initiatief om hulp te zoeken, het aanbod en het personeel.