Taalachterstand

Zowel professionals als ouders hebben veel vragen rond taalachterstand: Wanneer is er sprake van taalachterstand? Zijn we niet te fel gefocust op wat kinderen niet i.p.v. wel kunnen? Ook wanneer een kind meertalig wordt opgevoed, zijn er veel vragen: Aan wiens taal wordt de taal van meertalige kinderen gemeten om taalachterstand vast te stellen (mismatch van repertoires)? Erkennen we de talige talenten die er zijn? Geven we kinderen voldoende tijd om de T2 te ontwikkelen? Hier zetten we alles even op een rijtje.

De (taal)ontwikkeling van kinderen verloopt grillig. Het taalverwervingsproces verloopt niet voor elk kind hetzelfde. Terwijl het bij het ene kind allemaal wat trager gebeurt, slaat het andere kind al eens een stapje over (net zoals sommige kinderen heel lang blijven kruipen en andere kinderen het kruipen overslaan alvorens ze stappen). Het ene kind zal vooral investeren in begrijpen en het andere in proberen te praten, maar dat kan een paar maanden later al omgekeerd zijn. Hou het algemene ontwikkelingspatroon in je achterhoofd, maar wees niet te snel ongerust. Ieder kind is anders.

Denk je dat er toch meer aan de hand is? Dan kan je als professional best eerst even praten met de ouders. Kom erachter of zij hetzelfde ervaren. Indien het gaat om een meertalig kind, achterhaal dan of het in een andere taal anders ontwikkelt en niet het klassieke patroon volgt. Probeer ook na te gaan of het taalaanbod thuis voldoende rijk is. Wordt er veel gesproken met het kind? Als je merkt dat kinderen thuis onvoldoende taalinput krijgen, ga dan samen op zoek naar laagdrempelige taal stimulerende activiteiten. Taalachterstand is een gevolg van onvoldoende taalaanbod en spreekkansen, maar denk niet te vlug aan taalachterstand. Er is een groot verschil tussen algemene taalachterstand (ontwikkeling) en taalachterstand in een taal(variëteit). Van jonge kinderen die het Nederlands niet als thuistaal hebben kunnen we niet verwachten dat ze binnen de kortste keren de taalvaardigheid bereiken van een Nederlandstalige leeftijdsgenoot. Ze mogen dan wel achterstand vertonen in het Nederlands, maar dit is daarom niet zo in een andere taal (bvb. de thuistaal). We moeten kinderen voldoende tijd geven om een taal (hier het Nederlands) te verwerven.

Ook de term ‘taalarmoede’ hoort voorzichtig gebruikt te worden. Taalaanbod is vaak situatie gebonden. Omdat een ouder weinig woorden gebruikt bij het brengen en halen van het kind aan het kinderopvanginitiatief, wil dat niet zeggen dat die ouder thuis ook maar weinig communiceert met het kind. Ook duidt het ontbreken van leesboekjes in de thuissituatie bvb. niet noodzakelijk op een taalarme omgeving. Uiteraard werkt de aanwezigheid van vertel- en prentenboekjes taal stimulerend, maar er zullen ook ouders zijn die verhalen vertellen zonder de ondersteuning van een boek. Inschatten hoe talig de thuisomgeving van een kind is, is alles behalve eenvoudig, zeker wanneer je de taal niet machtig bent. Toch blijft de thuistaal erg belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van een kind. Het is dan ook niet de bedoeling dat je als professional een oordeel velt. Wel is het aan te raden om samen met ouders op zoek te gaan naar hoe dat je kinderen meer of beter kan ondersteunen in hun taalontwikkeling.

Wanneer je denkt dat een kind van voldoende rijk taalaanbod geniet maar het toch systematisch taalfouten blijft maken, is het belangrijk dat je probeert uit te sluiten of het om een fysiek/medisch probleem dan wel om een taalstoornis gaat. Het ene kan wel makkelijker dan het andere.

Het testen van taalontwikkeling is complex, des te meer omdat je kinderen jonger dan vijf jaar niet betrouwbaar kan testen. Tot vijf jaar kan je enkel het kind observeren in een natuurlijke situatie. Zo kun je zien hoe het kind zich talig gedraagt, of er niet eerder een sociaal of een emotioneel probleem is. Wanneer er een probleem is dat voorkomt in alle situaties, en in alle talen die het kind kent of leert, dan kan er sprake zijn van een taalstoornis.

De consultatiebureauarts van Kind en Gezin of de behandelende arts kunnen bij een vermoeden van een taalstoornis ouders doorverwijzen naar logopedisten, expertisecentra, gespecialiseerde centra of revalidatiecentra voor gehoor en spraak of voor taal en ontwikkelingsproblemen, maar deze zijn vooral gericht op het diagnosticeren van motorische taalontwikkelingsstoornissen met het oog op logopedische remediëring. Er kan ook doorverwezen worden voor een nieuwe gehoortest op latere leeftijd.

Voor kinderen ouder dan drie jaar wordt de taalvaardigheid op school opgevolgd, in samenwerking met zorgcoördinatoren en het CLB. Specifiek voor kleuters is er de observatielijst bij Het Referentiekader Vroege Tweedetaalverwerving.

Tips voor het opvolgen van de taalontwikkeling en vaststellen van taalachterstand:

  • Wees geduldig en bied kinderen voldoende tijd om talig te ontwikkelen.
  • Praat met ouders over de taalontwikkeling van hun kind.
  • Oordeel niet over het taalaanbod thuis. Ga eerder samen met ouders op zoek naar hoe het kind beter kan ondersteund worden in zijn taalontwikkeling, zowel thuis als in de voorschoolse voorziening.
  • Wanneer je denkt dat er meer aan de hand is, probeer eerst uit te sluiten of het om een fysiek/medisch probleem gaat en verwijs ouders hiervoor in de eerste plaats naar het consultatiebureau van Kind en Gezin of de behandelende arts (bvb. laat het gehoor testen). Zij kunnen bij een vermoeden van een taalstoornis ouders doorverwijzen naar logopedisten, expertisecentra of revalidatiecentra.