Rouw- en verliesverwerking bij geadopteerden

Baby’s en peuters

Vooraleer baby’s en peuters een besef kunnen hebben van een verlies, moet er eerst sprake zijn van hechting. In een normale ontwikkeling groeit dit besef rond 9 maanden, maar dit kan dus afwijken bij adoptiekinderen. Doordat dit besef er nog niet helemaal is, heeft dit natuurlijk gevolgen voor hun reactie op het wegvallen van een belangrijk persoon uit hun omgeving. Kinderen gaan huilen als hun vader of moeder eventjes naar de keuken verdwijnt – voor een baby of peuter is diegene die uit zicht is ook echt weg. Door te huilen of zoeken, probeert het kind de relatie te herstellen. Kiekeboe-spelletjes zijn daarom voor jonge kinderen een onuitputtelijk vermaak: telkens weer ontdekt het kind dat papa of mama niet verdwenen is en gewoon achter het boek of de handen verstopt zit.

Als een jong kind een van zijn ouders verliest, is het aannemelijk dat het reageert met een onthechtingsreactie, zoals verlatingsangst of zoekgedrag. Soms vindt er een tijdelijke terugval in hun ontwikkeling plaats en krijgen ze problemen met eten, slapen en zindelijkheid.
Bij adoptiekinderen kan het gebeuren dat ze niet reageren op een verlies of afwezigheid, net omdat ze al met afscheidssituaties te maken hebben gehad of omdat hechting niet normaal verloopt of verlopen is.

Kleuters

Voor kleuters staan begrippen als ‘voor altijd’ en ‘nooit meer’ gelijk aan iets wat meestal tijdelijk ‘weg’ is. Het is daarom heel normaal dat kleuters vragen wanneer iemand die bv. overleden is, weer terugkomt; ook als al een aantal keer is uitgelegd dat dat niet kan. Het begrijpen gaat niet in één keer. Meestal moet je kleuters herhaaldelijk uitleggen hoe de vork in de steel zit. Pas vanaf vier tot zeven jaar kunnen de meeste kinderen de onomkeerbaarheid van ‘weg zijn’ begrijpen. Welke impact verlies heeft op zichzelf, hun leven en de toekomst begrijpt men vaak pas in de loop van de puberteit.

Peuters en kleuters denken nog op een wijze die ‘magisch denken’ wordt genoemd: in hun denken is alles nog mogelijk en fantasie en werkelijkheid lopen nogal eens door elkaar. Ze verbinden oorzaak en gevolg nog niet met elkaar, wat voor volwassenen tot onlogische redeneringen kan leiden. Een paar voorbeelden:

  • Kinderen kunnen denken dat zij op de een of andere manier schuld hebben aan het verlies. Zo kunnen ze denken dat ze iets naars gedacht, gezegd of gedaan hebben waardoor hun biologische ouders hen niet meer wilden of hun adoptieouders hen zullen ‘terugsturen’.
  • Kinderen denken op een concrete manier. Uitspraken als ‘mama kon niet voor mij zorgen’ en ‘we hebben jou uitgekozen’ leiden tot gedachten over een winkel waarin kinderen in de rekken liggen tot er iemand langs komt en hen uit de rekken haalt. Of er verschillende prijzen waren voor verschillende ‘soorten’ kindjes, …

Lagere schoolkinderen

Weten dat iemand er niet meer is –dat adoptie onomkeerbaar is – is voor kinderen van een jaar of vijf, zes niet hetzelfde als gevoelsmatig echt bevatten dat ze iemand misschien nooit meer zullen zien. Kinderen beginnen gaandeweg te beseffen dat als je geadopteerd bent, dat niet verandert. Ook niet als je dat heel graag wilt. Dit kan leiden tot woede, frustratie of een enorme teleurstelling. Het blijft nog steeds moeilijk om te begrijpen wat dat dan is en welke impact dat heeft op henzelf, het leven en de toekomst. Dit blijft meestal nog tot (ver) in de puberteit zo.

Kinderen van deze leeftijd kunnen ook net zo goed vragen beginnen te stellen. Het is erg belangrijk om hier steeds geduldig op in te gaan. Net als bij jongere kinderen helpt het stellen van vragen hen bij het geven van woorden aan de gebeurtenissen en de emoties. Vragen stellen is meestal iets tijdelijks en heeft als functie dat kinderen het gebeurde willen duiden en zekerheid willen. Kinderen vertonen in deze fase ook vaak scheidingsangst, zijn onzeker, drukker en slapen slechter. Meestal helpt het deze kinderen als ze reële antwoorden krijgen. Sommige kinderen hebben bizarre fantasieën over het verlies en het eventuele herstel hiervan en kunnen teleurgesteld zijn omdat die niet uitkomen. Zo hopen kinderen dat hun biologische ouders op een dag gewoon voor de deur zullen staan om hen terug op te halen.

Soms is angst niet direct te herleiden tot de angst om opnieuw verlaten te worden, maar krijgt die een meer algemeen karakter, zoals faalangst of onzekerheid. Onzekerheid over wie je bent, wat je ergens van vindt en hoe je met anderen omgaat hoort bij deze leeftijdsfase, maar het verwerken van een verlies kan dat nog versterken.

Kinderen krijgen op de basisschool langzaamaan meer verantwoordelijkheden en worden steeds zelfstandiger. Ze gaan verschillen zien tussen hun eigen gezin en dat van vriendjes en vriendinnetjes. Die verschillen kunnen heel concreet zijn: een vriendje is niet geadopteerd zoals zij, andere kinderen zijn niet ‘bruin’, andere kinderen komen wel uit de buik van de mama bij wie ze wonen, … De verschillen kunnen ook zitten in regels en afspraken. Wanneer ze botsen op grenzen bij het adoptiegezin én ze zitten in een periode waarbij ze hun biologische ouders verheerlijken, dan kunnen ze dit ook ‘gebruiken’ tegen hun adoptieouders. Zo kunnen ze zeggen dat ‘ze terug gaan naar hun échte ouders waar het beter is en waar ze vast wel van alles mogen’. Of ze kunnen heel koel reageren dat hun ouders ‘niet moeten klagen, want ze hebben hen uiteindelijk naar hier gehaald’ en ‘dat ze nu ook maar de gevolgen moeten dragen’. Het spreekt vanzelf dat al deze nieuwe ervaringen een bepaalde mate van verwarring en onzekerheid met zich meebrengen. Ook ouders kunnen door de kritische houding van hun kind ontmoedigd raken.

Het toenemend begrip van de eigen emoties gaat vaak samen met een toenemend besef dat het verlies ook hevige emoties bij anderen tot gevolg heeft. Soms trekken zij zich terug en laten ze niet meer merken aan anderen wat ze denken en hoe ze zich werkelijk voelen. Soms denken kinderen dat ze nu het ‘perfecte’ kind moeten zijn. Ze willen dan niet nog meer ellende en verdriet veroorzaken. Kinderen zijn ook bang dat diegene die nu voor hen zorgt of henzelf iets overkomt.

Jongeren

Jongeren of adolescenten (de leeftijd van twaalf tot achttien jaar) realiseren zich ten volle wat het verlies van een dierbare betekent. Onder invloed van hun voortgaande ontwikkeling is opnieuw rouwen over een ‘oud’ verlies, herrouwen, heel normaal. Dit komt door een van de ontwikkelingstaken waar jongeren voor gesteld staan: het ontwikkelen van een eigen identiteit.

Alle jongeren vragen zich in meerdere of mindere mate af wie ze zijn, hoe ze zich verhouden tot anderen en hoe ze hun toekomst vorm willen geven. Voor jongeren die geadopteerd zijn, kan die zoektocht naar hun identiteit ertoe leiden dat ze opnieuw gaan rouwen. Ouders en ook jongeren zelf schrikken hier soms van. Ze hebben dan het idee dat het gek of vreemd is dat ze opeens weer ‘terugvallen’ terwijl het verlies al een tijd achter hen ligt. Vanuit ontwikkelingsperspectief is het echter goed verklaarbaar waarom rouw juist kan opspelen in de puberteit, wanneer je druk bezig bent met identiteitsontwikkeling (met vragen zoals ‘Wie ben ik?’, ‘Wat is de zin van het leven?’ en ‘Wat wil ik in en met de toekomst?’).

Veel jongeren die in hun jonge jaren iemand verloren denken opnieuw en dieper na over wat het verlies betekent voor hun leven, voor wie ze zijn, voor hun relatie met anderen en voor hun toekomst. Soms is de pijn van het verlies een tijdje weer erg intens om vervolgens weer in normale proporties te komen. Soms stagneert het verwerkingsproces en is professionele hulp noodzakelijk.

Het ontwikkelen van een eigen identiteit komt onder andere tot uiting in experimenteren op uiteenlopende gebieden, bv. met het uiterlijk (veranderen kapsel of nemen een tatoeage), relaties, alcohol en drugs, ... Voor sommige jongeren in rouw kan experimenteren lastig zijn. Dat kan komen doordat ze zich overmatig verantwoordelijk voelen voor het functioneren van het gezin als geheel. Dit fenomeen wordt parentificatie genoemd. Kinderen gaan taken overnemen in het huishouden waardoor ze zichzelf een leven met vrienden en vrije tijd voor zichzelf ontzeggen. Of ze voelen de zwaarte van adoptie aan en willen voorkomen dat er nog meer ellende veroorzaakt wordt. Zo spelen ze thuis de rol van het ‘ideale kind’.

Soms lukt het (even) niet meer en kunnen jongeren overvallen worden door een gevoel dat ze ook dood willen. Doodswensen en suïcide zijn voor ouders vaak belangrijke punten van zorg.
Niet iedere jongere die zegt dat hij dood wil, is suïcidaal. Sommigen willen hiermee enkel zeggen dat ze van hun problemen af willen. Zelfverwondend gedrag is een andere manier om even afgeleid te zijn van de emotionele pijn. Het is een andere manier om niet aan een suïcidepoging toe te geven.

Een andere groep wil graag herenigd worden met hun biologische ouders. Het kan gaan om een echt gemis, een gevoel dat ze beter thuis horen dan waar ze nu opgroeien. En sommigen hebben gewoon door dit soort uitspraken behoefte aan begrip voor hun verdriet en gemis.