Puberteit en identiteit

In de puberteit is de zoektocht naar wie je bent een grote opdracht. Pubers zoeken naar een doel in hun leven, naar zingeving, normen en waarden … maar ook naar hun eigen identiteit. De puberteit is een proces met veel vragen, onzekerheden, twijfels: wie ben ik, waar kom ik vandaan, wat wil ik worden?

In de puberteit staat vorming van een eigen identiteit, een aparte persoonlijkheid, op de voorgrond. Natuurlijk zijn kinderen al van jongs af aan met dit proces bezig. Bijvoorbeeld een peuter die neen zegt, alles zelf wil doen, … Kinderen maken in feite in de eerste 3 à 4 levensjaren al een eerste individuatie- en separatiefase door. Ze maken zich al los van hun ouders maar idealiseren hen nog, identificeren zich met hen. Sommige adoptiekinderen hebben deze eerste fase gemist omdat ze pas op 3- of 4-jarige leeftijd geadopteerd werden. Algemeen kan je zeggen dat adoptiekinderen alles dubbelop moeten doen. Ze moeten zich tweemaal hechten, tweemaal scheiden, tweemaal identificeren en afzetten, …

Twee processen staan centraal in de puberteit: het loskomen en het op eigen benen gaan staan. Zoals bij een peuter moet een puber zich vooral losmaken van diegenen waarmee hij het meest verbonden is. Om zich een eigen identiteit te vormen moet de puber zich afzetten tegenover thuis via kledij, muziek, gedrag, …

Losmaken is verbonden met gehechtheid: ouders kunnen veilig gehechte kinderen ook makkelijker loslaten. Was er geen hechte band dan laat men los zonder terugvalbasis, was de gehechtheid onveilig dan wordt het moeilijker om los te laten, verlies staat dan op de voorgrond.

De grote vragen die een puber zich stelt komen kort samengevat hierop neer: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naar toe? Al deze vragen zijn voor adoptiepubers moeilijker te beantwoorden.

Zij zien er Afrikaans, Chinees, … uit maar groeien op in een Vlaams gezin, moeten zich van twee paar ouders losmaken, zich met hen identificeren. Loyaliteitsgevoelens spelen naar beide kanten. Jongeren zijn meer in staat om te begrijpen wat er met hen gebeurd is en dat roept vaak tegenstrijdige gevoelens op: boosheid, verzet, … Dit uiten ze vaak naar de adoptieouders terwijl er juist meer interesse groeit naar de afkomst en geboorteouders. De biologische ouders stijgen in waarde, de adoptieouders dalen in waarde. Men voelt zich bedrogen, het afgestaan zijn wordt sterk beleefd. Er is veel met mij gesold en voor mij beslist…

Identiteit

Een eigen identiteit ontwikkelen betekent komen tot een soort van innerlijke eenheid, cohesie, geen verscheurdheid die de bovenhand neemt.

Maar ook hier weer de dubbelheid: met wie moet ik mij identificeren? Met die scoutsgroep, zangkoor en voetbalploeg (etnische identiteit), of met de groep van migranten die net zoals ik andere roots heeft (raciale identiteit). Dit kan bv. leiden tot het zoeken van vrienden die ook buitenlandse roots hebben (identificeren).

Daarbij komt dat de houding van ‘schattig zwartje’ van positieve discriminatie in die periode nogal eens omslaat naar negatieve discriminatie: schattig zwartje wordt lastige en gevaarlijke zwarte, …

Pubers die vanuit het buitenland geadopteerd zijn hebben behoefte aan ‘positieve’ rolmodellen van hun eigen cultuur, liefst reële mensen: het kunnen niet allemaal Stromae’s, Vincent Kompany’s, Nafi Thiams of Elodie Ouedraogo’s zijn.