Mother & fetus. The start of a relationship

Auteur :

J. Maas

Jaar van publicatie :

2013

Thema :

Ouderschap en opvoeden

Type :

Document


Korte beschrijving:

In de afgelopen 30 jaar is het belang van de vroege relatie tussen moeder en kind voor de latere ontwikkeling van dit kind veelvuldig aangetoond. Onderzoek op dit gebied is echter voornamelijk gebaseerd op de gehechtsheidstheorie en heeft zich vooral gericht op de relatie tussen moeder en kind vanuit het perspectief van het kind. Onderzoek naar de relatie tussen moeder en kind vanuit het perspectief van de moeder heeft veel minder aandacht gekregen. Dit is opmerkelijk omdat uit het beschikbare onderzoek blijkt dat een verstoorde moeder-kind relatie, bijvoorbeeld als gevolg van emotionele problemen van de moeder, sterk gerelateerd is aan een negatieve ontwikkeling bij het kind. Inmiddels is er voldoende bewijs dat de band tussen moeder en kind al ontwikkelt tijdens de zwangerschap.

De relatie tussen moeder en foetus start in het algemeen vanaf de 10e zwangerschapsweek en wordt meer intens naarmate de zwangerschapsduur toeneemt. Een betere kwaliteit van de moeder-foetus relatie, die weerspiegeld wordt door veel denken aan de foetus en erg betrokken zijn bij de zwangerschap, bleek geassocieerd met gezonder gedrag van de moeder tijdens de zwangerschap. Deze moeders dronken geen alcohol, rookten niet, volgden een zwangerschapscursus en verdiepten zich in de verschillende ontwikkelingsfases van de zwangerschap. Een minder goede kwaliteit van de moeder-foetus relatie aan de andere kant, bleek samen te hangen met symptomen van angst, depressie en emotionele instabiliteit van moeder en meer gevoelens van irritatie van moeder naar haar ongeboren kind. Welke factoren de moeder-foetus relatie bepalen en wat de gevolgen van deze prenatale relatie zijn voor de kwaliteit van de moeder-kind relatie in de postnatale periode is onvoldoende onderzocht.

De studies die in dit proefschrift beschreven worden, hadden tot doel de bestaande kennis op dit gebied te vergroten. Alle studies die zijn beschreven in dit proefschrift maken onderdeel uit van de prospectieve, longitudinale cohort studie “In Verwachting”. De opzet van de ‘In Verwachting’ studie staat beschreven in hoofdstuk 2. Een belangrijk doel van deze studie was het onderzoeken van de kwaliteit van ouder-kind relaties vanuit het perspectief van de ouder, zowel in de prenatale als postnatale periode. Om de relatie tussen moeder en foetus, de determinanten en de gevolgen hiervan te beschrijven, werden in dit proefschrift alleen die vrouwen bestudeerd die vragenlijsten invulden bij 26 weken zwangerschap en 6 maanden postpartum en participeerden in een huisbezoek 6 maanden postpartum. Dit resulteerde in een populatie van 409 vrouwen en 292 kinderen.

In hoofdstuk 3 zijn verschillende factoren onderzocht waarvan verwacht werd dat ze samen zouden hangen met de moeder-foetus relatie. Eerdere wetenschappelijke studies naar mogelijke determinanten van deze relatie, zoals symptomen van angst of depressie en sociale steun, waren niet altijd consistent in hun bevindingen. Dit zou 118 een gevolg kunnen zijn van de onderzoeksopzet van deze studies. De meerderheid van de studies was exploratief van aard in plaats van gebaseerd op onderliggende theorieën en veel studies bevatten relatief kleine onderzoeksgroepen. Bovendien is nauwelijks gebruik gemaakt van multivariate analyses. In hoofdstuk 3 is een model beschreven waarin de bijdrage van verschillende ouder-, omgevings- en kindkenmerken op de moeder-foetus relatie is onderzocht. Het model -dat is gebaseerd op het theoretische model van Belsky- veronderstelt dat opvoeding bepaald wordt door psychologische kenmerken van de ouder zelf, omgevingskenmerken zoals stress en steun en kenmerken van het kind. Eerder emprisch onderzoek heeft de toepasbaarheid van dit model bevestigd bij ouders van baby’s, peuters, kinderen en jong volwassenen. Uit de resultaten van de studie beschreven in hoofdstuk 3 blijkt dat ook de relatie tussen moeder en foetus bepaald wordt door ouder- (d.w.z., persoonlijkheid en de gehechtheidstijl van de ouder), omgevings- (d.w.z., steun van de partner en stress) en kind (d.w.z., verwacht temperament van het kind) kenmerken en bevestigt hiermee de waarde van Belsky’s model tijdens de zwangerschap. Vooral zwangere vrouwen die extrovert, consciëntieus en aardig zijn, bleken een betere kwaliteit van de moeder-foetus relatie te rapporteren. Tevens werd gevonden dat zwangere vrouwen die meer stress hadden tijdens de zwangerschap of de verwachting hadden dat zij een minder opgewekt kind zouden krijgen, een minder goede kwaliteit van de moeder-foetus relatie rapporteerden. Er werden ook relaties tussen de drie domeinen onderling gevonden. Moeders met een onveilige hechtingsstijl waren minder extrovert, aardig en emotioneel stabiel wat resulteerde in minder affectie naar de foetus. Aardige en emotioneel stabielere moeders ervoeren minder stress en de emotioneel stabielere moeders ervoeren daarnaast meer steun van hun partner. Zes maanden na de geboorte is bij de moeders en kinderen uit de “In Verwachting” studie de kwaliteit van de moeder-kind interactie bepaald tijdens een huisbezoek. De bevindingen van eerder onderzoek waar de kwaliteit van moeder-kind interacties in kaart wordt gebracht, zijn niet altijd eenduidig. Dit zou het gevolg kunnen zijn van de verschillende manieren waarop moeder en kind zijn bestudeerd. Zo kan er variatie optreden in de situatie/activiteit (zoals voeden, verschonen, spelen), in de structuur (de aan- of afwezigheid van speelgoed, tijdsgebonden of ongestructureerde observaties) en in de setting (laboratorium versus thuissituatie) waarin de observaties plaatsvinden.

In hoofdstuk 4 is onderzocht wat de invloed van verschillende situaties (een face-to-face, een verschonings- en een vrij spel situatie) binnen de thuissituatie op het interactieve gedrag van moeder is en kind is. Moeders in de face-to-face situatie bleken meer responsief en sensitief te zijn dan in een verschonings- en vrij spel situatie. Ook de kinderen waren in de face-to-face situatie socialer en positiever. Deze studie laat zien dat het gedrag van moeder en kind deels afhangt van de situatie waarin deze wordt beoordeeld. Het is belangrijk hier in toekomstig onderzoek naar de kwaliteit van moeder-kind interactie rekening mee te houden. Tot op heden heeft onderzoek naar determinanten van sensitiviteit van moeder zich vooral toegespitst op de postnatale periode.

In hoofdstuk 5 is onderzocht of de moeder-foetus relatie de sensitiviteit van moeder in de postnatale periode kan voorspellen. De resultaten van deze studie lieten zien dat moeders met een betere kwaliteit van de moeder-foetus relatie meer sensitieve gedragingen tonen 6 maanden na de geboorte in een verschonings- en vrij spel situatie. Deze bevindingen komen overeen met eerder onderzoek en bevestigen dat de moeder-foetus relatie gezien kan worden als een continuüm van gevoelens en gedragingen die de basis vormen voor de latere moeder-kind relatie. 

In hoofdstuk 6 worden de belangrijkste bevindingen van dit proefschrift samengevat. Vervolgens worden methodologisch sterke en zwakke punten van de studie, de klinische implicaties en overwegingen voor toekomstig onderzoek besproken. Voor zover bekend wordt in Nederland de kwaliteit van de moeder-foetus relatie nauwelijks in kaart gebracht. Het in kaart brengen van deze relatie zou klinisch gezien echter waardevol kunnen zijn. Vrouwen met een lagere kwaliteit van de moederfoetus relatie zouden baat kunnen hebben bij vroege preventieve interventies om de kwaliteit van de relatie tussen haar en haar foetus te verbeteren met als doel de latere ontwikkeling van het kind positief te beïnvloeden.

De bevindingen van dit proefschrift zijn daarom belangrijk voor alle professionals die met zwangere vrouwen werken.

Reageer op dit artikel