Loyaliteit

Loyaliteiten bij de geadopteerden

Voor een geadopteerde is het niet óf de (ene) (biologische) ouder(s) óf de (andere) (adoptie)ouder(s). Hij of zij worstelt juist met het gevoel van loyaal te willen zijn aan beide ouderparen. Voor veel geadopteerden is het lastig om deze dubbele loyaliteit om te zetten in gedrag. Sommige geadopteerden schieten door in afwijzing van de biologische ouders, ofwel de adoptieouders. Geadopteerden uiten hun verbondenheid met de biologische ouders in het adoptiegezin in gedrag. Ze gedragen zich boos, afstandelijk of verzetten zich tegen de adoptieouders. Soms kiezen ze demonstratief partij voor de biologische ouders door diens (vermoedelijke) levenswijze te imiteren. Soms durven zij hun loyaliteit aan hun biologische ouders niet te uiten. Ze stellen geen vragen over hun biologische ouders. Ze uiten geen interesse uit angst daarmee hun adoptieouders te kwetsen met wie ze hier en nu leven.

Ook jonge kinderen weten zich onvoorwaardelijk verbonden met de biologische ouders. Oók als deze niet voor hen konden zorgen of hen mishandelden. Negatieve informatie zullen ze niet zelden schijnbaar negeren of ontkennen. Dit kan voor de adoptieouders moeilijk zijn. Het doet in hun ogen geen recht aan de waarheid. Voor het hechtingsproces is het echter zeer belangrijk dat een geadopteerde hoe dan ook loyaal mag en kan zijn aan zijn biologische ouders. 

Loyaliteitsconflicten spelen vaak op onbewust niveau. Een adoptiekind kan zich schuldig voelen ten opzichte van zijn biologische ouder als het van zijn adoptieouders gaat houden. Dit kan voelen als verraad. Of het heeft moeite de liefde van de adoptieouders te ontvangen omdat dit als een ‘schuld' voelt die terugbetaald moet worden.

Meer geadopteerden in één gezin zorgen onderling, vaak onbewust, voor balans tussen de verschillende loyaliteiten. Zolang de ene geadopteerde bijvoorbeeld actief rootsinteresse toont en daarmee verbondenheid met de biologische ouder accentueert, betuigt zijn broer of zus zich vaak expliciet loyaal aan de adoptieouders door desinteresse in zijn roots te benadrukken.

Het hanteren van loyaliteiten is persoonsgebonden en verschilt per ontwikkelingsfase

Voor een jong kind is het van wezenlijk belang dat het zeker is van zijn band met de adoptieouders. Het wil op de adoptieouders lijken, erbij horen, uit de buik van de adoptiemoeder komen. Afhankelijk van de leeftijd bij afstand is het zich meer of minder bewust van het bestaan van en de loyaliteit aan de biologische ouders.

Rond het zevende levensjaar gaat een adoptiekind beseffen dat adoptie niet alleen betekent ‘gewenst zijn door de adoptieouders' maar ook ‘verlaten of afgestaan zijn door de biologische ouders’. Dit brengt gedachten en ideeën over de biologische ouders op gang. In het verlengde daarvan ontstaat de vraag ‘Wat beteken en betekende ik voor mijn biologische ouders en wat betekenen zij voor mij?'. 

Als een kind doorkrijgt hoe de voortplanting werkt, is dat een kritische fase. Wanneer het zich realiseert dat het zelf kinderen kan krijgen, richt de focus zich op de loyaliteitsgevoelens ten opzichte van de biologische ouders.

In de puberteit spelen loyaliteitsvragen een belangrijke rol in het licht van de zich vormende identiteit: op wie lijk ik, bij wie hoor ik, voel ik me Colombiaan of Nederlander?

Rootsinteresse of een rootsreis naar het geboorteland maakt loyaliteitsvragen actueel. Het ontmoeten van de biologische ouders of familie heeft impact op loyaliteitsgevoelens. Geadopteerden kunnen in verwarring raken of in een loyaliteitsconflict komen, door een ontmoeting met hun biologische ouders.

Loyaliteiten bij de adoptieouder(s)

Loyaliteit kan voor adoptieouders een pijnlijk onderwerp zijn. Het drukt hen met hun neus op het feit dat de biologische ouders van hun kind hoe dan ook een rol blijven spelen in zijn denk- en belevingswereld. Zij zullen nooit de enige ouders zijn van en voor hun kind.

Adoptieouders kunnen zeer gemengde gevoelens ervaren ten opzichte van de biologische ouders van hun kind, met name wanneer deze het kind mishandelden of onvoldoende bescherming boden. Hun ambivalentie zal de loyaliteitsgevoelens van hun kind beïnvloeden.

Ook de wijze waarop zij zich zelf loyaal tonen aan hún ouders beïnvloedt de manier waarop hun adoptiekind zijn loyaliteitsgevoelens hanteert.

Omgaan met dubbele loyaliteit, een moeilijke evenwichtsoefening

De adoptieouders lijken in de puberteit ook voor een moeilijke opvoedingsopgave te staan. Ze moeten de puber van stevig weerwerk kunnen voorzien, maar moeten ook als steun blijven fungeren. Net als de adolescent lijken de adoptieouders zich in die periode af te vragen wie het kind eigenlijk is en worden de fantasieën over de afkomst van het kind aangewakkerd.

De vraag is hoe men een band kan behouden met al die verscheidenheid. De ouders moeten hun puber ook kunnen loslaten, soms hebben ze het gevoel dat de ingroeiperiode in het gezin te kort was.

In die periode kunnen biologische ouders plots stijgen in waarde en adoptieouders dalen of net omgekeerd. Adoptiepubers kunnen bijvoorbeeld alles wat met hun herkomstland te maken heeft idealiseren en alleen maar boos zijn dat ze hier zijn of omgekeerd.

Adoptiepubers die helemaal niet puberen kan een teken zijn van onveilige hechting: bijvoorbeeld heel hard hun best doen om er te ‘mogen zijn’.