Hoe ziet mediaopvoeding er dan uit?

Hoe mediaopvoeding eruitziet, hangt af van de omstandigheden, en van wat ouders goed en waardevol voor hun kinderen vinden. Dat verschilt per gezin. Ook binnen één gezin kunnen er verschillen zijn.

Ook kan de mediaopvoeding van jongens en meisjes verschillen. Genderstereotypes zorgen er nog steeds voor dat veel ouders bij meisjes sneller geneigd zijn om schietgames af te keuren, terwijl jongens daar meer vrijheid in hebben. Het online gedrag van meisjes wordt ook vaker in de gaten gehouden dan bij jongens, voornamelijk uit bezorgdheid voor de mogelijke risico’s op ongewenste benadering door onbekenden.

Ouders bepalen ook welke media-apparaten er in huis komen en of kinderen zulke apparaten wel of niet op hun slaapkamer mogen hebben.

Door de sterk verhoogde interactiviteit in mediagebruik zijn kinderen niet langer enkel ontvangers. Ze zijn ook zenders van boodschappen geworden. Statusupdates, chats, bloggen of vloggen, een YouTube kanaal, polls en stemrondes, commentaren op andermans berichten: hun stem klinkt luid en duidelijk en ook dat is een nieuw gegeven waar ze moeten leren mee omgaan.

Ten slotte worden de dragers steeds mobieler en verdwijnen de media uit het ouderlijk gezichtsveld. Hierdoor wordt het voor ouders en opvoeders moeilijker om over de schouder mee te kijken. De vroegere succestip ‘plaats de computer in de woonkamer’ raakt dan ook stilaan achterhaald.

Evolutie in begeleidingsstijlen

Al deze factoren leiden tot een verschuiving van mediatie (opvoeders bepalen welke mediainhoud op kinderen afkomt) naar proactieve monitoring (toezicht op hoe, wanneer, met wie en wat kinderen met media doen).

Hierin onderscheiden we drie soorten begeleiding:

Restrictieve begeleiding of het grenzen stellen aan het mediagebruik. Bijvoorbeeld door het verbieden van bepaalde tv-programma’s of games. Of door het maken van afspraken over hoe lang en wanneer kinderen iets mogen doen. Deze aanpak werkt beter bij jonge kinderen dan bij iets oudere kinderen. Bij pubers heeft het soms een omgekeerd effect.

Actieve begeleiding of het sturen van kinderen door het geven van informatie. Bijvoorbeeld door uit te leggen waaróm je bepaalde games afkeurt of niet geschikt vindt voor hun leeftijd, of door uitleg te geven bij onderwerpen in de media die kinderen nog niet goed kunnen begrijpen. Maar ook door het uitspreken van waardering voor leuke en geschikte media-uitingen. Verder valt hier ook het aanleren van een kritische houding tegenover media onder: een eigen mening vormen, echtheid van informatie checken, realiteit van reclame kunnen onderscheiden,… Diverse studies tonen aan dat deze aanpak effectief is: het maakt kinderen minder gevoelig voor effecten van mediageweld, het vergroot de leereffecten van educatieve media en verkleint de kans op online risicogedrag.

Gezamenlijke mediabeleving dus niet alleen erover praten, maar samen lezen, samen kijken en samen beleven. Je kunt bijvoorbeeld meegenieten en meeleven met je kind tijdens het gamen. Hierbij gaat het dus vooral om de uitwisseling van emoties.

Eigenlijk is er nog een vierde soort begeleiding, maar die heeft alleen betrekking op het gebruik van computers en internet, namelijk:

Zicht houden bij kinderen tot 12 jaar. Ouders laten hun kinderen vrij op de computer, maar zorgen er ook voor dat ze op afstand weten wat hun kind op de computer doet en blijven in de buurt om te helpen wanneer dat nodig is.

In de praktijk gebruiken de meeste ouders de drie of vier soorten begeleiding door elkaar heen, afhankelijk van de ontwikkelingsfase en leeftijd van het kind. Ouders begeleiden het mediagedrag van jonge kinderen beduidend vaker dan het mediagebruik van pubers of adolescenten. Dat geldt zowel voor laag als voor hoogopgeleide gezinnen.

  • Bij peuters en kleuters doen ouders vooral aan supervisie en gezamenlijk mediagebruik (Nikken en Jansz, 2013). Ouders doen dan veel aan voorlezen of samen kijken en educatieve spelletjes spelen op de laptop of tablet.
  • Vanaf een jaar of zeven stoppen ouders met de supervisie en gezamenlijk media gebruiken; ouders gaan dan wel wat meer regels stellen en vaker met de kinderen over veilig mediagebruik praten. Ouders stemmen de vorm van de mediaopvoeding dus af op het ontwikkelingsniveau van het kind.
  • Kinderen van een jaar of tien zijn meer competent in het zelfstandig gebruik van de media en raken meer geïnteresseerd in sociale media of in films, series en games met volwassen thema’s als geweld, seks en alcohol; ouders gaan dan nog meer op de rem staan en hun kinderen op de risico’s van de media wijzen.
  • Vanaf een jaar of veertien bespreken ouders weer minder vaak wat hun kinderen in de media tegen kunnen komen en stellen ze ook minder regels. De meeste oudere kinderen zijn autonoom in hun keuze van games en hun surfgedrag. Ze krijgen minder commentaar en spelen of surfen nog nauwelijks bewust samen met de ouders.

Kinderen met zorgbehoefte

Wanneer de ontwikkeling van kinderen anders verloopt, bijvoorbeeld vanwege verstandelijke of fysieke zorgbehoeftes, passen ouders uiteraard hun mediaopvoeding aan. De kansen van media zijn voor kinderen met een beperking niet anders dan voor andere kinderen. Het stimuleren van de ontwikkeling van deze kinderen vraagt echter wel meer investering. Zo kunnen zij ook informatie tot zich nemen, contact met anderen onderhouden, en plezier vinden in mediagebruik, als zij passende mediaproducten met de juiste ondersteuning krijgen.

Tegelijk zijn kinderen met een beperking extra kwetsbaar, waardoor de risico’s van mediagebruik groter kunnen zijn. Door hun beperkte cognitieve ontwikkeling hebben kinderen meer moeite om uit zichzelf gevaar af te kunnen wenden of om voor zichzelf grenzen en regels te stellen. Ouders en mede-opvoeders zijn dan intensiever bezig met mediaopvoeding.

Type ouders

Tot slot heeft ook de opvoedstijl van de ouders een invloed op de vorm van mediaopvoeding. Opvoeders die zich zorgen maken over de risico's van media zijn in het algemeen geneigd om meer aan mediaopvoeding te doen. Zij treden vooral restrictief op en nemen meer voorzorgsmaatregelen. Daarnaast praten bezorgde ouders ook vaker met hun kinderen over tv-programma's, games en websites. Zij wijzen vaker op wat er goed of slecht is, wat risico’s voor de kinderen kunnen zijn en geven vaker uitleg bij de media.

Ouders of opvoeders met een meer positieve kijk op de media zijn in het algemeen geneigd om vaker samen met de kinderen te kijken, te lezen of gamen, of te internetten, vooral vanwege de ontspanning en het vermaak. Positief ingestelde opvoeders praten ook vaker met hun kinderen over de media, waarbij ze dan nadruk leggen op de educatieve mogelijkheden of op hoe kinderen media verstandig kunnen gebruiken.