Feiten cijfers en onderzoek

Vertraagde taalontwikkeling

Op basis van uitgebreid literatuuronderzoek geven Dr. Reep-van den Bergh e.a. aan dat de prevalentie van taalontwikkelingsstoornissen bij kinderen rond de twee jaar globaal geschat wordt op 5%. Een kind heeft een spraak en/of taalstoornis als de spraak, het taalbegrip en/of de taalproductie zich in vergelijking met leeftijdsgenootjes langzamer of anders ontwikkelt.
Van Agt e.a. geven aan dat de achterstand al op jonge leeftijd daadwerkelijk gevolgen heeft op het gedrag en de kwaliteit van het leven van het kind. Vroeg signalering van een taalachterstand is daarom van cruciaal belang.

Gehechtheid en taalontwikkeling

Uit herhaald onderzoek blijkt dat wederzijds stimulerende interacties tussen kinderen en ouders/primaire verzorgers cruciale voorwaarden zijn voor de ontwikkeling van gezonde hersencircuits en steeds complexere vaardigheden. Een wederzijds stimulerende interactie bestaat uit volgende componenten:

  • Het sensitief en responsief handelen.  Dit is het vermogen om ontvankelijk te zijn voor de signalen die je kind uitzendt en daar op een juiste en directe manier op reageren.

  • Het mentaliseren.  Dit is erin slagen om de echte gemoedstoestand van je kind te begrijpen, te weerspiegelen, te verwoorden en het zo gerust te stellen. Je geeft kinderen woordelijk en lichamelijk het gevoel dat je hun gevoelens en gedachten kan dragen en er niet in meegetrokken wordt. 

  • Wederkerigheid is hierbij heel belangrijk, wat de basis vormt van elke communicatie. Als de communicatie goed loopt, is er een betere gehechtheid, voelt het kind zich beter en is er een betere interactie.  Vanuit de gehechtheidstheorie kan geargumenteerd worden dat het erkennen en een plaats geven van de thuistaal bij jonge kinderen positief is voor het welbevinden en de emotionele band die kinderen met anderen hebben. Het zorgt ervoor dat ze zich veilig en goed kunnen voelen. 

Thuistalen

Voor steeds meer kinderen wordt het normaal om binnen hun familie met meerdere talen op te groeien. In het dagelijks leven is het voor veel kinderen vanzelfsprekend om twee of meer talen te gebruiken.
Cijfers uit het jaarrapport van het Kind in Vlaanderen 2009 leren ons dat 78,8% van de in 2008 in het Vlaamse Gewest geboren kinderen thuis het Nederlands als thuistaal heeft. Als indicator wordt de taal die de moeder met het kind spreekt gehanteerd.13 Bij 21,2% van de pasgeborenen spreekt de moeder thuis dus een andere taal, vooral Frans (4,2%), Arabisch (3,7%) en Turks (3%). Vooral in de provincies Vlaams-Brabant en Antwerpen telt
Kind en Gezin heel wat moeders die een andere taal dan het Nederlands spreken met hun kind: 31% in Vlaams-Brabant, bijna 28% in Antwerpen. In Vlaams-Brabant, dicht bij Brussel, is dat voornamelijk Frans (16,4%). In Antwerpen komen Arabisch (6%) en Berbers (4,6%) het meeste voor als vreemde talen.

Taal en kansarmoede

In het Jaarboek ‘Armoede en Sociale Uitsluiting 2008’ toont men aan dat armoede de ontwikkelingsscores van kinderen al vanaf het eerste levensjaar naar beneden haalt. Het gaat hierbij om verschillende ontwikkelingsdomeinen: niet enkel cognities en taal, maar ook motoriek, zelfredzaamheid en sociaal emotionele ontwikkeling.
Taalachterstand treft niet alleen de doelgroep van anderstaligen. Het staat los van een specifieke taal, bijvoorbeeld het Nederlands. Het heeft te maken met onvoldoende taalvaardigheid. In het Unicef Report Card 8 van het Innocenti Research Centre uit 2008 staat: ‘Onderwijsachterstanden hangen sterk samen met de gezinsachtergrond en zijn zelfs meetbaar vóór de start van de formele schoolopleiding. De woordenschat van driejarigen van hoger opgeleide ouders is vaak dubbel zo groot als deze van kinderen van armere, lager opgeleide ouders. Tegen de leeftijd van 15 is de kans dan ook groot dat de kinderen van hoger opgeleide ouders een hoger diploma behalen.’ Duidelijk is dat taalachterstand niet alleen een link heeft met anderstaligheid, maar vooral met de socio-economische positie van gezinnen.
Het niet hebben van de Belgische nationaliteit verhoogt ontegensprekelijk de kans om in de kansarmoede terecht te komen. In België is dit verschil bijzonder frappant: het armoederisico van kinderen die leven in een ‘migrantenhuishouden’ bedraagt hier meer dan 60% en is daarmee vijf keer groter dan het armoederisico van kinderen wiens ouders geboren zijn in België.
Van alle, in 2009 geboren kinderen in het Vlaamse Gewest, werd 8,3% geboren in een kansarm gezin. Kansarmoede wordt hierbij gedefinieerd als een duurzame toestand waarbij mensen beknot worden in hun kansen om voldoende deel te hebben in maatschappelijk hooggewaardeerde goederen, zoals onderwijs, arbeid en huisvesting. Tegenover 2008 is dit percentage licht toegenomen. Tegenover 2001 steeg dit aandeel met 2,4%. De moeder van bijna 6 op de 10 kinderen geboren in een kansarm gezin, had bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit.

Onderzoek en praktijk

In de publicatie ‘Fostering language acquisition in daycare settings. What does the research tell us?’ stelt Beler vast dat er onvoldoende en slechts fragmentarisch empirisch onderzoek is over eerste en tweede taalverwerving bij jonge kinderen. Vaak wordt er uitgegaan van veronderstellingen die onvoldoende getoetst zijn. Ondanks het gebrek aan empirisch onderzoek over de taalverwerving bij jonge kinderen, zijn er toch een aantal onderzoeksrapporten en praktijken die relevant zijn.

De taalverwerving van een kind kent een sterk individueel verloop

Kinderen doorlopen ‘gevoelige periodes’ waar ze extra vatbaar zijn voor het verwerven van taal. De eerste drie levensjaren zijn hier cruciaal. Kinderen staan dan optimaal open voor invloeden van ouders en primaire verzorgers uit de omgeving. De ontwikkeling van taal kan in een aantal grote ontwikkelingsfasen worden ingedeeld:

  • de voortalige fase: van comfortgeluidjes naar brabbelen

  • de vroegtalige fase: van eenwoordzinnen naar tweewoordzinnen

  • de differentiatiefase: langere en complexere zinnen, uitspraak verfijnen, explosie woordenschat, uitbreiding van communicatieve functie van taal met niet-talige communicatie

  • de voltooiingsfase

Het tempo waarop een kind een taal leert verschilt echter sterk van kind tot kind. Tijdens de eerste drie levensjaren evolueren de structuur en de verbindingen in de hersenen van een kind. Enerzijds is dit genetisch bepaald, anderzijds spelen de individuele ervaringen van een kind een zeer bepalende rol.
Gelijktijdig met de ontwikkeling van de hersenen, ontstaan er bepaalde neurale patronen of verbindingen en verwerft het kind een aantal vaardigheden. De taalontwikkeling van kinderen kent een grillig patroon en is heel beïnvloedbaar. Sommige kinderen spreken bijvoorbeeld pas hun eerste woordje op de leeftijd van twee jaar. De fundamenten van de cognitieve, taalkundige, sociaal en emotionele vaardigheden, die onderling met elkaar verbonden zijn, worden in deze eerste levensjaren gelegd.

Sociale positie van het kind

Onderzoekers Blommaert en Van Avermaet geven aan dat een verbod op het gebruik van de thuistaal in een onderwijscontext niet automatisch leidt tot meer taalvaardigheid in het standaard Nederlands. Integendeel, een verbod versterkt de stigmatisering, de groeiende kloof en de segregatie tussen de taalgroepen. De centrale stelling van de onderzoekers is dat de benadering van taal en de voorgestelde taalpedagogiek geen rekening houden met de cruciale factor die kansen bepaalt nl. de sociale positie van het kind. Zo noteren ze dat een Nederlandse taalachterstand géén probleem is voor bijvoorbeeld kinderen van eurocraten. Die gaan gewoon naar een dure internationale school en maken zo van het feit dat ze geen Nederlands spreken een voordeel in plaats van een achterstand. ‘Meertaligheid in de ene taal is een voordeel en een bonus op de arbeidsmarkt, meertaligheid in de andere taal is een obstakel voor integratie.’ De meertaligheid van een kind in Vlaanderen kan bijvoorbeeld anders bekeken worden als een kind Turks dan wel Engels als thuistaal heeft.

Taalontwikkeling als natuurlijk gebeuren

Taal wordt door jonge kinderen beter verworven in informele situaties en in dagelijkse handelingen dan in formele lessituaties. Taalontwikkeling is dus een natuurlijk gebeuren. Taalstimulering werkt het best als het leuk en ongedwongen gebeurt en inspeelt op wat de kinderen zelf aanbrengen en voldoende concreet is. Taalstimulering is dus niet te verengen tot het stimuleren van de Nederlandse instructietaal op school.

Aanbodfactoren die taalontwikkeling bevorderen

Onderzoek van o.a. Hart en Risley toont aan dat vooral de hoeveelheid verbale interactie tussen ouders en kinderen een heel sterke invloed heeft op de taalontwikkeling van jonge kinderen. Vooral op momenten dat ouders praten met hun kind over koetjes en kalfjes, waarbij geen directe instructies aan te pas komen, steken jonge kinderen veel op en heeft dit positieve effecten op hun taalontwikkeling.

Thuistaal en voertaal

Beler en andere onderzoekers raden begeleiders in de kinderopvang aan om enkele belangrijke woorden in de thuistaal van het kind te leren spreken. Dit is een positief signaal voor het kind, zijn taal is welkom en blijkt even bruikbaar voor communicatie als de andere taal. Dit kan een kind motiveren om zich meer te integreren in de groep.
Belangrijk is dat ouders geïnformeerd worden over het belang van taalstimulering en taalactiviteiten thuis, ongeacht of dit over de eerste of de tweede taal van het kind gaat. Uit onderzoek blijkt dat contacten met leeftijdsgenoten en contacten met media (samen televisie kijken en boeken lezen) een positieve invloed hebben op de taalontwikkeling van het kind.

Dat de zorg voor de Nederlandse taalvaardigheid in het onderwijs van alle leerlingen perfect kan gecombineerd worden met het positief omgaan met meertaligheid wordt ook gesteld door Van den Branden en Verhelst. De onderzoekers pleiten ervoor om het thema omgaan met meertaligheid explicieter te maken en een plaats te geven in debatten over onderwijs en de Vlaamse samenleving. Ook bepleiten zij acties voor ouders zodat deze beter kunnen communiceren met schoolteams en zo ook volwaardiger kunnen participeren aan wat er op school gebeurt. De communicatielijnen met niet-Nederlandstalige ouders moeten maximaal open gehouden worden, in combinatie met het stimuleren van het leren van het Nederlands.

Ouders waarvan de thuistaal niet de voertaal is, worstelen vaak met de vraag hoe ze hun kind tweetalig kunnen opvoeden. Als ouders kunnen gerustgesteld worden dat hun thuistaal erkend wordt en ondersteund worden in het waar maken van hun droom die ze voor hun kinderen hebben, namelijk ‘hoe kan mijn kind vlot Nederlands leren en tegelijk toch mijn thuistaal vlot leren spreken?’, dan kan er samen met hen op weg gegaan worden. Met een eenzijdige focus op het leren van Nederlands bereikt men in veel gezinnen niet veel.

Het is belangrijk de thuistaal een volwaardige plaats te geven. Het leren van taal maakt kinderen taalgevoelig en zo ontwikkelen ze noodzakelijke taalvaardigheden (o.a. vermogen tot geluidswaarneming, het vermogen tot klankvorming, het vermogen tot woordbegrip, het vermogen tot zinsbegrip, het vermogen tot zinsproductie) die noodzakelijk zijn voor een goede taalverwerving. Kinderen die in een ‘taalarme’ omgeving opgroeien, verwerven later zeer moeilijk en gebrekkig om het even welke taal.