Factoren die ouderwelzijn bevorderen

Ouderschap is meer dan opvoeden. Ouderschap omvat naast het domein opvoeden ook domeinen als partnerrelatie, (geestelijke) gezondheid, plannen en organiseren van zorg, werk en vrije tijd, aangaan en onderhouden van sociale contacten en financiële zaken. Aandacht voor ouderschap en voor wat ouders nodig hebben om zich goed in hun vel te voelen is dan ook belangrijk: Wanneer en waarom ervaren ouders hun ouderschap als positief of negatief? Wat beïnvloedt hun ouderwelzijn?

Gebaseerd op de indeling van Werner en Smith beschrijft Gravesteijn (2015) individuele factoren, thuisklimaat en sociale netwerkklimaat als beschermende factoren voor het bevorderen van ouderwelzijn. Uit onderzoek van Werner en Smith (2001) naar weerbaarheid blijkt dat beschermende factoren significant meer invloed hebben dan specifieke risicofactoren. Deze beschermende factoren blijken zelfs etnische en sociaaleconomische grenzen te overstijgen.

Individuele factoren:

  • Voorbereid voelen: Een factor die goed te beïnvloeden is en die veel effect heeft op het ouderwelzijn is de mate waarin ouders zich voorbereid voelen op het ouderschap. Ouders die het gevoel hebben goed voorbereid te zijn hebben voordien beter nagedacht over wat het betekent om vader of moeder te worden. Ze hebben manieren bedacht die hen kunnen helpen om met moeilijke situaties in het ouderschap om te gaan. Zij houden er rekening mee dat problemen en stressvolle situaties kunnen ontstaan. Deze ouders hebben doorgaans meer vertrouwen in en controle over hun rol als ouder en hun invloed op de ontwikkeling van hun kind. De voorbereiding op het ouderschap hangt samen met beelden die ouders hebben van hun ouderschap (Galinksy). Het hebben van realistische verwachtingen heeft een positieve invloed op de ontwikkeling van het kind. De mate waarin ouders zich voorbereid voelen hangt ook samen met kennis over de ontwikkeling van kinderen en ouderschap.
  • Kennis: Kennis over de ontwikkeling van kinderen en ouderschap kan ouders handvatten en begrip geven en uitleg bieden over de betekenis van het gedrag van het kind. Voor ouders is het ook belangrijk om kennis te hebben over ouderschap, te weten dat andere ouders zich ook onzeker voelen, en dat beginnend ouderschap vaak gepaard gaat met een (tijdelijke) toename van conflicten tussen partners. (Lees meer: ‘Van partnerschap naar ouderschap’). Deze kennis heeft tot gevolg dat verwachtingen die ouders over zichzelf en hun kinderen hebben realistisch zijn.
  • Levensvaardigheden: In de transitie naar ouderschap gaat men er al te gemakkelijk van uit dat jonge ouders, die starten met hun ouderschap, meteen al over de vaardigheden beschikken om adequaat om te gaan met de dagelijkse eisen en verwachtingen die gepaard gaan met het ouderschap, zoals bv. het beheersen van eigen emoties, kalm blijven in stressvolle situaties, met andere samenwerken en plannen en organiseren van zorg, huishouden en werk. Als ouders over deze vaardigheden beschikken heeft dit een positief effect op de ontwikkeling van kinderen.

Thuisklimaat:

  • Partnerrelatie: Als een kind geboren wordt ondergaat de partnerrelatie een transformatie. Ouderschap betekent een reorganisatie of herdefiniëring van de relatie tussen partners. Talrijk onderzoek laat zien dat vlak na de geboorte van een kind een (tijdelijke) afname te zien is in de tevredenheid en kwaliteit van de partnerrelatie. (Lees meer ‘Van partnerschap naar ouderschap’)
  • Ouder-kind-relatie: De kwaliteit van de ouder-kindrelatie is van invloed op de ontwikkeling van kinderen en op het welzijn van ouders. Een positieve ouder-kindrelatie wordt gekenmerkt door een responsieve, warme en sensitieve interactie. Dit komt de sociale, emotionele, cognitieve, taal en hersenontwikkeling van het kind ten goede. De band tussen moeder en kind ontwikkelt zich niet na de geboorte maar start al tijdens de zwangerschap. Het onderzoek van Janneke Maas (2013) bracht de kwaliteit van de moeder-foetus relatie vanuit het perspectief van de moeder in kaart. De band tussen moeder en foetus start reeds vanaf de 10e zwangerschapsweek. Deze band wordt intenser naarmate de zwangerschap vordert. Een betere kwaliteit van de moeder-foetus relatie uit zich in veel denken aan de foetus en erg betrokken zijn bij de zwangerschap, en bleek gelinkt met een gezonder gedrag van de moeder tijdens de zwangerschap. Een minder goede kwaliteit van de moeder-foetus relatie bleek samen te hangen met andere symptomen van angst, depressie en emotionele instabiliteit van de moeder en meer gevoelens van irritatie van de moeder naar haar ongeboren kind. Verschillende factoren bepalen volgens het model van Belsky de vroege relatie tussen moeder en foetus: ouderkenmerken (persoonlijkheid, en de gehechtheidstijl van de ouder), omgevingskenmerken (steun van de partner en stress) en kindkenmerken (verwacht temperament van het kind). Vrouwen met een lagere kwaliteit van de moeder-foetus relatie zouden baat kunnen hebben bij vroege preventieve interventies om de kwaliteit van de relatie tussen haar en haar foetus te verbeteren met als doel de latere ontwikkeling van het kind positief te beïnvloeden.
  • Taakverdeling: Samenwerken tussen partners krijgt een andere invulling als er kinderen worden geboren. Er ontstaat een samenwerking tussen ouders waarin prioriteiten en relaties veranderen, waarin taken verdeeld moeten worden. Ouders bezuinigen meestal op tijd voor zichzelf, om bij te komen en bij te tanken. Wat steunend is, is de manier waarop ouders samenwerken, en als ouders beroep kunnen doen op een ondersteunend netwerk.

Netwerkklimaat:

  • Behoefte aan sociale ondersteuning: Een actief en ondersteunend netwerk heeft een positieve invloed op het welzijn van ouders en kinderen. Door goede sociale netwerken krijgen ouders bevestiging, herkenning, emotionele ondersteuning en zijn ze doorgaans beter in staat om te gaan met stress behorende bij ouderschap. Dit geldt niet alleen voor kwetsbare gezinnen: het sociale netwerk is voor alle ouders een beschermende factor. Dit netwerk bestaat idealiter uit familie, vrienden, buren, … Maar ook meer formele vormen van steun is voor heel wat ouders belangrijk (cfr. JONG-onderzoek: 15% van de ouders met kinderen tot één jaar heeft behoefte aan formele opvoedingsondersteuning)
  • Maatjes en mentoren: Ouders blijken ook behoefte te hebben aan ‘maatjes’ met wie ze hun ervaringen op gelijke voet kunnen delen. Anderzijds zeggen ze ook steun te hebben aan ‘mentoren’ waarvan ze vooral kunnen leren. Belangrijk hierbij is dat deze mentoren de regie niet overnemen maar de ouders als ervaringsdeskundigen benaderen. Hoewel de meeste ouders wel een sociaal netwerk hebben, gebruiken zij dit niet altijd wegens schaamte, sociale angst of wantrouwen. Mentoren en maatjes kunnen ook helpen om het sociale isolement waarin ouders terecht kunnen komen te doorbreken.
Herbekijk de lezing van Carolien Gravesteijn op de dialoogdag 'Groeien naar ouderschap' van 17 juni 2016
Bronnen