De pedagogische visie van Peter Petersen

Opvoeden is opvoeden tot gemeenschap

Je wordt pas mens in relatie tot andere mensen. Kinderen opvoeden, betekent dus in de eerste plaats hen leren samenleven met anderen. Als je oog hebt voor de totale opvoeding van het kind, dan komen andere, meer technische vaardigheden vanzelf wel aan bod. Dat ondervond Petersen in zijn experimenteerschool in Jena. Wat heeft zo’n onderwijspedagoog  nu te vertellen aan de Huizen van het Kind? Zijn manier van werken met kinderen en gezinnen getuigt van een holistische aanpak.

Tekst: Ellen Rutgeerts (VBJK) Vormgeving identiteitskaart: Susy Cascado

Petersen.jpg

VISIE

Levensloop

Peter Petersen wordt in 1884 geboren in een dorp aan de Duits-Deense grens. In het Lutheraanse boerengezin is samenwerken belangrijk. Later gaat hij studeren in Leipzig, Kopenhagen, Poznan en Hamburg: cultuurgeschiedenis, filosofie, godsdienstwetenschappen, psychologie en pedagogiek.

Hij is actief in de Bund Für SchulReform, een bond voor onderwijsvernieuwing. Petersen denkt niet in nieuwe leermethodes maar heeft een algemene visie op opvoeding. Ouders die hem van deze bond kennen, vragen hem op 36-jarige leeftijd het gymnasium in Hamburg te leiden. Drie jaar later, in 1923, wordt Petersen hoogleraar opvoedkunde en krijgt hij de leiding over een pedagogisch seminarie en een universitaire oefenschool in het Duitse dorp Jena. Hij ontwikkelt er verder zijn ideeën.

Wanneer Petersen zijn experimenteerschool in 1927 op een internationaal pedagogisch congres voorstelt, noemen enkele Amerikaanse deelnemers het prompt de Jenaplanschool. Vanaf 1928 werkt en onderzoekt zijn vrouw, de wiskundige Else Müller, met hem mee. Na de Tweede Wereldoorlog wordt Duitsland gesplitst en belandt het dorp Jena met de school in het Oostelijke deel. Rusland vindt de school een gevaarlijk overblijfsel van het vroegere Duitsland en Petersen krijgt systematische tegenkanting. Desondanks blijft hij nog tot 1950 met de school bezig.

In 1951 sluit Rusland de universiteitsschool van Jena en krijgt Petersen een spreekverbod. Hij verhuist verbitterd naar Bremen waar hij in 1952 overlijdt.

Theorie en ideeën

Petersen heeft meer ideeën over opvoeding dan over leren. Voor hem telt in de eerste plaats het gemeenschapsvormende: je wordt immers pas mens in relatie tot andere mensen – en dat is een proces dat een leven lang duurt. Daarom is een school voor hem een samenlevingsvorm die het liefste zo dicht mogelijk aansluit bij het gezin. Het klaslokaal is huiselijk ingericht ‘als een schoolwoonkamer’. Kinderen, leerkrachten en ouders werken allen mee aan het proces van de opvoeding en hebben er iets over te zeggen.

Een Jenaplanschool moet kinderen opvoeden in een geest van humaniteit, eerlijkheid en verdraagzaamheid. Iedereen is van harte welkom en de school houdt rekening met de uniciteit van elk kind: kinderen kunnen leren en werken op hun eigen tempo. Er zijn ook geen jaarklassen volgens leeftijd, maar heterogene groepen met oude en jongere kinderen samen: zoals thuis gebeurt onder broers en zussen, leren kinderen zodoende ook op school met andere kinderen samenleven. Bovendien is er veel projectwerk. Door vakgrenzen te doorbreken, krijgen de kinderen onderwijs dat niet alleen het ‘hoofd’ maar ook de ‘handen’ en het ‘hart’ aanspreekt

Realisaties

In 1955 ontdekt de Suus Freudenthal-Lutter het Jenaplan van Petersen. In Nederland stampt zij de eerste Jenaplanschool uit de grond, in 1968 richt ze de Stichting Jenaplan op. Vandaag telt Nederland ruim 220 Jenaplanbasisscholen en 10 middelbare Jenaplanscholen, België heeft zeven basisscholen met Jenaplanonderwijs.

Verder zijn er dergelijke scholen in Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten. Hoewel deze scholen onderling verschillen, werken ze allen volgens de basisideeën van Petersen over mens, samenleving en school. In leeftijdsoverschrijdende groepen gebeurt projectwerk en zelfstandig werk. In het weekplan komen steeds vier pedagogische kernactiviteiten voor: gesprek, werk, spel en viering.

 

INSPIRATIE VOOR JOUW HUIS VAN HET KIND

Hoewel Petersen een echte onderwijspedagoog is, wil hij de school steeds opnieuw verbinden met de ruime wereld én met de wereld van thuis. Twee principes die ook in Huis van het Kind leven.

Holistisch werken

Als Petersen met kinderen werkt, gebeurt dat met hoofd, hart en handen. Hij let niet alleen op wat een kind cognitief leert, kinderen moeten volgens hem ook groeien in termen van sociale omgang, fysieke en emotionele ontwikkeling. Petersen heeft daarbij aandacht voor het totale welbevinden en vindt het belangrijk dat kinderen een wereld ontdekken die groter is dan thuis. En dat is precies de bijdrage die een Huis van het Kind kan leveren.

In (de verschillende organisaties betrokken bij) een Huis van het Kind kunnen kinderen speelvriendjes en andere volwassenen tegenkomen (medewerkers en andere ouders). Zo ontdekken ze dat sommige dingen misschien anders gebeuren dan thuis: een boeiende eerste kennismaking met culturele en sociale diversiteit in de buurt. Dit verbreedt de leefwereld van kinderen (en gezinnen) en is net wat Petersen – samen met Micha de Winter – verstaat onder ‘opvoeden tot gemeenschap’.

Daarnaast is er het aanbod dat Huis van het Kind organiseert. In de waaier aan activiteiten zit niet alleen de zorg voor baby’s en jonge kinderen, er zijn ook allerlei workshops mogelijk, ontmoetingsmomenten, spelaanbod, samenwerking met sport- of culturele organisaties, enzovoort. Zo kun je holistisch werken, met aandacht voor het welbevinden van elk kind.

Geef ouders een plek

De band tussen een kind en zijn gezin stopt voor Petersen niet aan de schoolpoort. Daarom geeft hij broers en zussen een plek in de klas. Ook ouders zijn in zijn ideale school prominent aanwezig. Hij benadert de vaders en moeders als ‘eerste opvoeder’: die dialoog met hen is geen topdown benadering, maar respectvol tweerichtingsverkeer. Ook Huis van het Kind schuift een participatieve manier van werken naar voor. 

Een ouder kent zijn kind als geen ander, hij kent zichzelf en zijn eigen context. Algemene opvoedingsadviezen hebben dus weinig zin: wat in de ene situatie werkt, werkt niet noodzakelijk in de andere.Daarom is de communicatie niet meer: ‘dat is goed voor jouw kind’. Wel: ‘wat is jouw zorg? wat wil je graag samen uitzoeken?’ Opvoedingsondersteuning is vandaag een vorm van bondgenootschap.

Deze samenwerking met ouders zit niet in een methodiek maar in de ondersteunende en respectvolle houding die je aanneemt. Het is goed om daar als Huis bij stil te staan. Hoe zien jullie ouders? Associëren jullie hen met eigenschappen zoals capabel, competent, constructief? Wat betekent dat voor jullie benadering van moeders en vaders?

Het is goed om met een Huis van het Kind een gedragen visie te ontwikkelen over ouders. Daartoe kun je bijvoorbeeld samen met je collega’s situaties bespreken waarin je concreet ervaren hebt hoe de samenwerking met een ouder als eerste opvoeder van zijn kind goed gelopen is, en ook situaties waarin dat minder vlot liep. Wat zijn de succesfactoren? Wat maakt het soms moeilijk om een evenwaardige samenwerking met ouders aan te gaan? Hoe pakt een collega deze situaties aanpakken? Wat zou je zelf anders doen? 

Het is uniek dat vaders en moeders hun concrete vragen en zorgen over de opvoeding van hun kind kunnen delen. Belangrijk is alleszins om dat vertrouwen niet te schaden. Je doet dat door goed te luisteren. Laat de ouder voldoende achtergrondinformatie geven, niet alleen over het kind maar ook – volgens de grenzen die iedere ouder zelf kan aangeven – over de context. Dan pas kun je samen zoeken naar een antwoord.

Meer weten?

Meer info over Peter Petersen en Jenaplan vind je op www.jenaplanvlaanderen.be en www.jenaplan.nl.