Cyberpesten

Enkele cijfers

Eén op drie kinderen en jongeren werd al geconfronteerd met cyberbesten, één op vijf heeft al gecyberpest. En twee derde van de cyberpestslachtoffers wordt ook traditioneel gepest. Dat gaat van een vals profiel aanmaken in naam van de gepeste, haatmails of sms-berichten versturen tot het ongevraagd verspreiden van foto’s. Er zijn veel parallellen met pesten ‘in real life’. Zo kan je immers ook in een chatgroep iemand uitsluiten, beledigen of zwart maken. Het risico op online pestgedrag is zelfs groter omwille van het anoniem karakter en omdat je niet rechtstreeks geconfronteerd wordt met de gevolgen van je gedrag. Cyberpesten vergroot de macht van de pester, omdat het controleverlies van het slachtoffer nog groter wordt. De pesterijen zijn langer en voor meer mensen zichtbaar, en de gepeste krijgt het gevoel dat hij of zij nergens nog veilig is.

Definitie

Niet alle negatieve gedragingen die jongeren online stellen vallen onder de noemer 'cyberpesten'. Aan de hand van drie criteria maakt men een onderscheid tussen wat cyberpesten is en wat eerder wijst op plagen ('cyber teasing') of ruziemaken via het internet ('cyber arguing'):

1. Iemand willen kwetsen

Een eerste kenmerk van pesten is dat de dader de intentie moet hebben om het slachtoffer te kwetsen of schade toe te brengen. Dat kan zowel moreel, als materieel. 

Als de persoon die het beledigend bericht stuurde niet echt de bedoeling had om het slachtoffer te kwetsen, dan spreken we eerder van een uit de hand gelopen plagerij of grap, een misverstand of een ruzie. 

2. Machtsonevenwicht

Er is sprake van een machtsverschil tussen pester en slachtoffer, bijvoorbeeld groter, sterker of populairder zijn. Typisch aan cyberpesten is dat het machtsonevenwicht kan voortvloeien uit het feit dat de dader anoniem blijft of meer computer-technisch onderlegd is dan het slachtoffer. Uit onderzoek blijkt dat het behoud of de versterking van populariteit en sociale macht één van de belangrijke motivaties kunnen vormen voor een jongere om te (blijven) cyberpesten.

Meestal kennen pester en slachtoffer elkaar, al gebeurt het dat de pester anoniem of onder een pseudoniem berichten stuurt. Als een onbekende online haatberichten verspreidt en daar plezier uithaalt, dan spreekt men over ‘trolling’. 

Internet en gsm geven jongeren de mogelijkheid om dingen te doen en te zeggen die ze online niet durven. In de wetenschappelijke literatuur wordt dit aangeduid als het ‘disinhibition effect’ van digitale media. Zo kan iemand die in het echte leven zwakker is, zich online machtiger gaan voelen omwille van zijn/haar anonimiteit en technische vaardigheden. Dat kan ervoor zorgen dat een offline minder sterke persoon gaat cyber­pesten. 

3. Het moet gaan om meer dan een eenmalige handeling

Er is sprake van pesten op het moment dat iemand meerdere keren kwetsende dingen doet of zegt tegenover iemand offline of online. 

Op het internet kunnen berichten, foto’s en filmpjes op grote schaal verspreid worden. Zo kan een kwetsende foto die eenmalig op Facebook geplaatst werd, door heel veel mensen bekeken en doorgestuurd worden. Het slachtoffer wordt op die manier nog lange tijd geconfronteerd met de pijnlijke ervaring, en kan ook een eenmalig bericht of foto ook tot herhaling leiden.

Signalen

De gevolgen van (cyber)pesten zijn groot op psychologisch, lichamelijk en sociaal vlak. Gepest worden heeft een enorme impact op het zelfbeeld van het slachtoffer.

Het is dan ook belangrijk om alert te zijn op de signalen van het slachtoffer:

  • niet meer naar school willen of geen vragen over school meer beantwoorden
  • minder zelfvertrouwen, laag zelfbeeld
  • lijkt afwezig, teruggetrokken of tobberig en gedraagt zich anders;
  • slecht slapen of vaak wakker worden, angstdromen en nachtmerries bedplassen
  • vage klachten over buikpijn of hoofdpijn
  • blauwe plekken, schrammen, kapotte kleren of spullen zonder duidelijke verklaring
  • vermijden van bepaalde buurten, straten, openbare plekken

In gesprek met ouders, waar let je op?

Ouders hebben een vraag over (cyber)pesten? Met deze adviezen help je hen al een eind op weg:

  • Goed luisteren naar het verhaal van het kind en analyseren wat er precies gebeurt. Zo voelt het kind zich serieus genomen en ervaart het steun in een moeilijke situatie.Het probleem minimaliseren of pesten beschouwen als een noodzakelijk kwaad in het leren omgaan met elkaar, gaat voorbij aan de negatieve gevolgen die pesten heeft op het slachtoffer.
  • Een gezamenlijke aanpak: Pesten is een complex probleem, duser bestaat geen snelle kant-en-klaar oplossing. Overloop samen de mogelijkheden. Doe niks zonder eerst met het kind te overleggen. Gepest worden geeft immers een gevoel van controleverlies en door het kind te betrekken bij de stappen die je onderneemt, krijgt het terug wat grip op de situatie.
  • Zoek naar externe vertrouwenspersoon: een (zorg)leerkracht, leider of sportcoach, het CLB of een andere externe organisatie,...  Een gezamenlijke aanpak met oog voor slachtoffer, pester en omgeving is belangrijk: zodra het gepeste kind ervaart dat er steun uit verschillende hoeken komt, valt er heel wat last van zijn schouders. Informeer je over welke visie de school hanteert in het aanpakken van pesten. Veel scholen gebruiken de ‘No Blame’ methode, een methodiek die ervan uitgaat dat straffen van de pester niet helpt, en op zoek gaat naar oplossingen met behulp van de hele groep. Niet alleen pester en gepeste worden betrokken, ook toeschouwers en meelopers kunnen suggesties doen om de situatie te veranderen. Bij ernstigere incidenten kan de HERGO- methodiek ingezet worden. Dat staat voor Herstelgericht Groepsoverleg: daders, slachtoffers en hun steunfiguren gaan samen met een neutrale deskundige op zoek naar manieren om de schade te herstellen. 
  • Een extra luisterend oor kan het kind ook vinden bij Awel, de vroegere Kinder- en Jongerentelefoon, via telefoon of chat. Omdat het probleem zich vooral tijdens de jeugdjaren voordoet, is Awel zeer vertrouwd met dit thema.  Bij zeer ernstige feiten, ook bij cyberpesten, kan je contact opnemen met de politie. Daarnaast organiseert het Vlaams Netwerk tegen Pesten jaarlijks de Vlaamse Week tegen Pesten. Die vindt plaats in de week voor de krokusvakantie. 
  • Zelfvertrouwen en weerbaarheid: de centrale wapens om pesters het hoofd te bieden, zelf niet te pesten of te reageren als je ziet dat er gepest wordt. Als ouder van een kind dat gepest wordt, voelt dat soms oneerlijk aan: jouw kind is empathisch en zachtaardig en krijgt toch de boodschap dat het moet veranderen. Weet dan dat zelfvertrouwen en assertiviteit ook op veel andere momenten in het leven van pas komt. Pesten is een groepsprobleem dus pesten in de kiem smoren en voorkomen doe je samen.
  • Fouten maken in de groei naar zelfstandigheid mag. Opgroeien gaat gepaard met vallen en opstaan. Vertrouwen is nodig om het een volgende keer nog eens te proberen.  Geef regelmatig een oprecht gemeend compliment aan je kind. Focus op wat goed gaat, inzet is belangrijker dan resultaten. Zoek samen naar hobby’s of plaatsen waar je kind een gevoel heeft van ‘erbij horen’. De belangrijkste boodschap is dat je kind oké is zoals het is en dat je er vertrouwen in hebt dat hij of zij haar weg zal vinden. Oefeningen uit de Rots&Water-methode helpen om het kind te leren omgaan met pestgedrag en groepsdruk.
  • Niet afschermen: ouders die vroeger zelf het slachtoffer van pesterijen waren, hebben de neiging hun kind af te schermen. Volledige bescherming is een utopie. Ouders kunnen wel zorgen voor een veilige haven en eventueel vertellen over wat het pesten met hem/haar deed, hoe ze reageerden, wanneer het is gestopt…