Aanpak zelfverwonding

Hoe zelfverwondend gedrag herkennen?

  • Meer teruggetrokken, gesloten, stiller dan anders
  • Niet langer deelnemen aan activiteiten
  • Stemmingswisselingen: het ene moment heel blij, en het andere moment triest
  • Snel kwaad of gefrustreerd worden
  • Een recente levensgebeurtenis (zoals relatiebreuk, overlijden, …)
  • Meer stress omtrent schoolwerk, hoewel dit vroeger niet het geval was
  • Onverklaarde krassen en wonden
  • Bedekken van delen van het lichaam (bijvoorbeeld: lange mouwen, of een reeks armbanden dragen tijdens warme zomerdagen)

Aanpak

In de aanpak van ZVG zijn drie pijlers van belang, met name preventie, diagnostiek en behandeling. 

Vroegtijdige preventie, ondersteund door overheid, eerstelijnshulp en de scholengemeenschap, is onontbeerlijk aangezien gemiddeld één op zes leerlingen in het reguliere Vlaamse onderwijsnet zichzelf minstens eenmaal opzettelijk verwondt. Scholen en eerstelijnscentra kunnen baat hebben bij uitgeschreven protocollen voor preventie van ZVG, alsook ruimere preventieprogramma’s die zich richten op het algemeen welbevinden van leerlingen. Een uitgeschreven protocol voor scholen is zinvol om leerkrachten, zorgleerkrachten en directies te begeleiden in het omgaan met ZVG. Het voordeel van geschreven protocollen is dat scholen systematisch en strategisch kunnen reageren op ZVG. Een goed startpunt voor het uitwerken van schoolprotocollen kan gevonden worden in Bubrick, Goodman, en Whitlock (2011) en het uitgewerkte preventie pakket SOSI (Jacobs, Walsh, McDade, & Pigeon, 2009).

Op vlak van diagnostiek wordt verwezen naar de gevalideerde NSSI-at vragenlijst (Baetens & Claes, 2011: Op vraag te verkrijgen imke.baetens@vub.ac.be) als screeningsinstrument. De NSSI-at kan worden afgenomen als interview of vragenlijst. De NSSI-at peilt naar methoden, frequentie en ernst van ZVG, de functies van ZVG en belangrijke correlaten (zoals startleeftijd, hulp-zoekgedrag, attituden).

In de toekomstige DSM–V ZVG mogelijk opgenomen zal worden als aparte categorie. Hieronder volgt een Nederlandse vertaling van de criteria die door de DSM-V commissie wordt voorgesteld.

A. In het afgelopen jaar, heeft het individu, op vijf of meer dagen, zichzelf opzettelijke schade toegebracht aan het oppervlak van zijn of haar lichaam, van een soort dat waarschijnlijk bloeden of blauwe plekken of pijn (bijvoorbeeld snijden, branden, steken veroorzaken , slaan, overmatig wrijven) inhoudt, voor doeleinden die niet sociaal geaccepteerd zijn, maar uitgevoerd met de verwachting dat de schade zal leiden tot slechts een geringe of matige lichamelijke schade. De afwezigheid van suïcidale intentie is ofwel gerapporteerd door de patiënt of kan worden afgeleid door het veelvuldig gebruik van methoden waarvan de patiënt, uit ervaring, weet dat ze niet potentieel dodelijk zijn (Bij onzekerheid, code NOS 2). Het gedrag is niet van een gebruikelijke en triviale aard, zoals plukken aan een wond of nagelbijten.

B. Het opzettelijk letsel wordt geassocieerd met ten minste twee van de volgende:

  1. Negatieve gevoelens of gedachten, zoals depressie, angst, spanning, boosheid, gegeneraliseerde angst, of zelfkritiek, in de periode direct voorafgaand aan de zelfverwondende daad.
  2. Voorafgaand aan de daad, een periode van preoccupatie met het beoogde gedrag dat moeilijk is om te weerstaan.
  3. De drang om zichzelf te verwonden komt vaak voor, hoewel er misschien niet naar wordt gehandeld.
  4. De activiteit is verbonden met een doel, dit kan zijn: verlichting van een negatief gevoel/cognitieve toestand of interpersoonlijke moeilijkheden of het opwekken van een positief gevoel. De patiënt verwacht dat deze zich zullen voordoen tijdens of onmiddellijk na de zelfverwonding.

C. Het gedrag en de gevolgen daarvan veroorzaken in significante mate lijden of beperkingen in interpersoonlijke, academische, of andere belangrijke gebieden van het functioneren.

D. Het gedrag komt niet uitsluitend voor tijdens een staat van psychose, delirium, of vergiftiging. Bij personen met een ontwikkelingsstoornis, is het gedrag geen onderdeel van een patroon van repetitieve stereotypische gedragingen. Het gedrag kan niet worden verklaard door een andere psychische of medische aandoening (dat wil zeggen, psychotische stoornis, pervasieve ontwikkelingsstoornis, mentale retardatie, Lesch-Nyhan syndroom).

 

Een derde pijler is behandeling en begeleiding. We raden professionele hulpverleners aan om een behandelplan op te stellen samen met de jongere die zichzelf opzettelijk verwondt. Belangrijk is een houding van respectvolle nieuwsgierigheid aan te nemen, zonder te gaan beschuldigen of het gedrag onmiddellijk te proberen stoppen (Walsh, 2006). 

  • Ernst taxeren en risico op suïcide inschatten (indien nodig medische hulp of residentiële behandeling inschakelen)
  • Verantwoordelijkheid opnemen ten opzichte van ZVG: leer de jongere zelf de wonden te verzorgen, en schakel indien nodig medische hulp in
  • Verminderen van letsels ten gevolge van ZVG
  •  Identificeren van uitlokkende prikkels en hier anders leren op reageren
  •  Vertrouwenspersonen en plaatsen voor hulp identificeren om verlangen naar ZVG te minimaliseren
  •  Vermijden van objecten die kunnen worden aangewend om zichzelf te verwonden
  •  Adaptieve vormen van coping aanleren

Het Trimbos Instituut in Den Haag, NL heeft een materialenbox ontworpen voor preventie van zelfverwondend gedrag.  Een praktijkgerichte training voor hulpverleners wordt aangeboden door Trimbos (http://www.trimbos.nl/agenda/2012/oktober/training-omgaan-met-suicidaal-en-zelfbeschadigend-gedrag-bij-jongeren) en Praxis P (meer info: Imke.baetens@ppw.kuleuven.be).

Bij ernstige of chronische vormen van ZVG is specialistische hulpverlening aangewezen. Internationaal onderzoek toont de effectiviteit van DBT, gedragstherapie probleemoplossende therapie, dialectische therapie en gezinstherapie aan. Een overzicht m.b.t. de effectiviteit van bovenstaande behandelvormen, vindt men in Nixon en Heath (2009).
Bij psychiatrische co-morbiditeit of een verhoogd risico op suïcide is een residentiële behandeling onontbeerlijk. Neem hiervoor contact op met een kinderpsychiatrische afdeling.